Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
11/4788 WUBO + 11/6305 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO- en WUV-uitkering en -voorzieningen. Psychische klachten houden weliswaar verband met het ondergane oorlogsgeweld/vervolging, maar hebben niet geleid tot blijvende invaliditeit. Ten aanzien van de fibromyalgie is geoordeeld dat deze niet in verband staat met het oorlogsgeweld/vervolging, maar door andere oorzaken is ontstaan. Aannemelijk is dat op grond van algemeen aanvaarde (huidige) medische inzichten geen causaal verband aanwezig kan worden geacht tussen de fibromyalgie en de oorlogservaringen (internering) van appellante op jonge leeftijd. Medische gegevens die in een andere richting wijzen zijn niet overgelegd. Verder is het hanteren van de maatstaf van een “rode draad” aan specifieke klachten bij de causaliteitsbeoordeling van fibromyalgie in overeenstemming met vaste rechtspraak. De uit de psychische klachten voortkomende beperkingen zijn niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4788 WUBO, 11/6305 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Zuid-Afrika (appellante)

de Raadskamers WUBO en WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 23 augustus 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamers WUBO en WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO onderscheidenlijk Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 28 april 2011, met kenmerk BZ01311508 (hierna: bestreden besluit I) respectievelijk met kenmerk BZ01277326 (hierna: bestreden besluit II). Bestreden besluit I betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en bestreden besluit II betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld op 12 juli 2012. Daar is namens appellante verschenen P.E. Rabé als gemachtigde en H.J. Huidekoper als mede-gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is geboren in 1942 in het toenmalig Nederlands-Indië. In oktober 2009 heeft zij een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor toekenningen op grond van de Wuv en/of de Wubo.

1.2. Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft verweerder erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten internering tijdens de Japanse bezetting. Haar aanvraag om toekenning van de toeslag en voorzieningen werd afgewezen op de grond dat haar psychische klachten weliswaar verband houden met het ondergane oorlogsgeweld, maar niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Ten aanzien van de fibromyalgie is geoordeeld dat deze niet in verband staat met het oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken is ontstaan. Het daartegen ingediende bezwaar is bij bestreden besluit I ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van eveneens 11 oktober 2010 heeft verweerder appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en haar voor verschillende voorzieningen in aanmerking gebracht. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met de door haar ondergane vervolging. Tevens is geoordeeld dat de fibromyalgie niet in verband staat met de vervolging, maar door andere oorzaken is ontstaan. De gevraagde periodieke uitkering werd niet toegekend op de grond dat de psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen of werken tot schade van de gezondheid. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij bestreden besluit II ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Het bij de bestreden besluiten ingenomen standpunt berust op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een medisch onderzoek van appellante door de arts G. Kho. Daarbij is betrokken de ontvangen medische informatie van de huisarts C. Agnew, psychiater dr. P. Ebersohn en klinisch psycholoog J.C. Gouwsventer. Uit deze adviezen komt naar voren dat de psychische klachten (te weten depressieve stoornis, deels in remissie, en angststoornis NAO) in verband staan met de oorlogservaringen, maar dat deze klachten niet zodanig in ernst zijn dat zij tot beperkingen in het functioneren hebben geleid. De angstdromen zijn niet zodanig dat deze leiden tot een beperking in het slapen en de depressieve klachten leiden niet tot beperkingen in het functioneren. Op grond hiervan is geoordeeld dat van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo geen sprake is, en in de zin van de Wuv niet kan worden gesproken van een verminderd verdienvermogen of werken tot schade van de gezondheid. Met betrekking tot de fibromyalgie kan een verband met de oorlogservaringen niet worden aanvaard, omdat het hier gaat om een in aanleg aanwezige, overerfbare aandoening en sinds de oorlog een “rode draad” van specifieke klachten ontbreekt, aldus de geneeskundig adviseurs.

2.2. Met het vorenstaande acht de Raad aannemelijk gemaakt dat op grond van algemeen aanvaarde (huidige) medische inzichten geen causaal verband aanwezig kan worden geacht tussen de fibromyalgie en de oorlogservaringen (internering) van appellante op jonge leeftijd. Medische gegevens die in een andere richting wijzen zijn niet overgelegd. Verder is het hanteren van de maatstaf van een “rode draad” aan specifieke klachten bij de causaliteitsbeoordeling van fibromyalgie in overeenstemming met vaste rechtspraak (CRvB 22 september 2005, LJN AU3134). Dat in het geval van appellante zo’n “rode draad” van groeipijnen, moeheid en bepaalde gedragsafwijkingen, zoals het fysiek niet in staat zijn om mee te doen, heeft voorgedaan is niet gebleken. Namens appellante zijn ter zitting wel verschillende gezondheidsklachten genoemd die zich na de oorlog bij haar hebben voorgedaan, maar daarbij zijn geen klachten genoemd die tot de hier bedoelde “rode draad” kunnen worden gerekend. Ook is in beroep aangegeven dat appellante last heeft van migraine en darmklachten, maar die klachten zijn van recentere datum en kunnen bij de beoordeling van de huidige aanvragen niet worden betrokken.

2.3. Van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de Wubo acht verweerder sprake indien - voor zover hier van belang - een betrokkene als gevolg van de psychische klachten beperkingen heeft in minstens twee van de vier rubrieken die de American Medical Association (AMA) kent, te weten “dagelijkse activiteiten”, “sociaal functioneren”, “concentratie, doorzettingsvermogen en tempo” en “aanpassing aan stressvolle omstandigheden”. De Raad heeft in vaste rechtspraak deze door verweerder gehanteerde maatstaf aanvaard. Voor het aannemen van een verminderd functioneren in de zin van de Wuv geldt hetzelfde, met dien verstande dat er beperkingen moeten zijn in drie van de vier rubrieken (CRvB 22 december 2011, LJN BU9905).

2.4. Medische gegevens waaruit kan worden opgemaakt kan worden opgemaakt dat de uit de psychische klachten voortkomende beperkingen in het geval van appellante zijn onderschat, zijn niet aangetroffen. Zoals ook uit de beschrijvingen in het rapport van Kho blijkt, werkte (ten tijde hier van belang) appellante fulltime behoudens een korte onderbreking in het begin van de middag. Ze heeft een goed sociaal leven en ondervindt geen beperkingen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, hobby’s en dergelijke. Het geheel aan medische gegevens geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de causale klachten van appellante problemen geven in haar beroepsmatig functioneren of dat zij werkt tot schade van haar gezondheid.

2.5. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden besluiten in rechte standhouden en de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.C. Nijholt

HD