Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
11-1443 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Onroerende zaken in Marokko. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1443 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 januari 2011, 10/1692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak 21 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak 10/2895 WWB, plaatsgevonden op 10 juli 2012. Voor appellant is mr. Ben-Saddek verschenen. De commissie heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 5 februari 1994 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Uit een door de afdeling Fraudebestrijding van de Directie Sociale Zaken van de gemeente Breda opgemaakt rapport van 29 september 2008 blijkt dat informatie is ontvangen waarin naar voren is gekomen dat appellante beschikt over onroerende zaken in Marokko. Naar aanleiding van deze gegevens heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie op verzoek van de afdeling fraudebestrijding van de Dienst Sociale Zaken een onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek blijkt dat appellante sinds 18 juli 2002 als eigenaar van een kavel grond in Berkane (Marokko) staat geregistreerd, waarop een huis is gebouwd. Appellante heeft het onroerend goed destijds gekocht voor 450.000,-- Dirham, omgerekend ongeveer

€ 46.930,--. De waarde van de grond en het huis is door M’hamed Taoussi, beëdigd taxateur, op 20 januari 2009 geschat op 1.700.000,- Dirham, omgerekend ongeveer € 154.000,--.

1.3. In deze onderzoeksbevindingen heeft de commissie aanleiding gezien om bij besluit van 23 juli 2009 de bijstand van appellante over de periode 18 juli 2002 tot en met 31 maart 2009 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode ten bedrage van € 90.077,40 van haar terug te vorderen. Bij besluit van 8 maart 2010 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar weliswaar wegens een onjuiste motivering gegrond verklaard, maar het besluit van 23 juli 2009 met wijziging van de grondslag gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellante ten tijde hier in geding bij de zogenoemde Service de la Conservation Foncière als eigenaar van de grond en het huis staat geregistreerd. Het register van de Service de la Conservation Foncière is aan te merken als een officieel eigendomsregister. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat de eigendom van een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister is geregistreerd op naam van een betrokkene de vooronderstelling dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van diens vermogen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft betoogd dat zij weliswaar juridisch eigenaar was van de grond en het huis, maar niet economisch eigenaar. Zij kon er feitelijk niet over beschikken. De eigen schriftelijke verklaring van appellante waarin zij uitlegt waarom de grond met het huis op haar naam is geregistreerd, is onvoldoende om aan te nemen dat appellante redelijkerwijs niet kon beschikken over de grond en het huis. Evenmin geven de overgelegde verklaring van de voormalige eigenaar, het bewijs van eigendomsoverdracht van 14 januari 2010 en de doktersverklaring van 16 juni 2009 aanleiding om te oordelen dat appellante ten tijde hier in geding niet redelijkerwijs kon beschikken over de grond en het huis. De eigen verklaring van appellante en de overgelegde stukken zijn immers niet aan te merken als objectieve en verifieerbare stukken omtrent de eigendom van het in geding zijnde onroerend goed tijdens de hier aan de orde zijnde periode.

4.3. Appellante betwist dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad volgt dat standpunt niet. Appellante heeft immers, in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting, aan de commissie geen opgave gedaan van het gegeven dat zij met ingang van 18 juli 2002 beschikte over onroerend goed in Marokko. Het gaat hier om een gegeven waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. De rechtbank heeft de commissie terecht gevolgd in haar oordeel dat het niet nakomen van deze verplichting ertoe heeft geleid dat aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. De commissie was derhalve bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 18 juli 2002 in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen beroepsgronden gericht.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van de over de periode 18 juli 2002 tot en met 31 maart 2009 gemaakte kosten van bijstand.

4.4.1. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen dringende redenen heeft gezien om van terugvordering af te zien. De commissie voert het beleid dat steeds wordt overgegaan tot gehele terugvordering van de kosten van ten onrechte verleende bijstand, tenzij sprake is van dringende redenen. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet leidt tot het aannemen van dringende redenen als hiervoor bedoeld.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

HD