Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
11-5293 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om vergoeding van de niet-gedekte kosten van de medische behandeling en medicijnen in verband met osteoporosis. Causaal verband met de vervolging ontbreekt. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5293 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Israël (appellant)

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 23 augustus 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2011, kenmerk BZ01271810 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1934, is in 1978 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv wegens zijn vlucht naar Frankrijk tijdens de Duitse bezetting. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, aanvaard dat de bij appellant aanwezige psychische klachten, longklachten en sinusitis in verband staan met de door hem ondergane vervolging. Voor de hart- en vaatklachten is zo’n verband niet aanvaard.

1.2. In mei 2010 heeft appellant verzocht om vergoeding van de niet-gedekte kosten van de medische behandeling en medicijnen in verband met osteoporosis. Bij besluit van 1 november 2010, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Verweerder heeft de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening voor het vergoeden van medische behandelingen en medicijnen niet in verband staat met de uit de vervolging voortvloeiende klachten. Deze beslissing van verweerder is gebaseerd op het medisch advies van de geneeskundig adviseur, de arts R. Loonstein. Daarin is aangegeven dat de gevraagde voorziening verband houdt met osteoporosis, en dat dit een constitutionele/degeneratief bepaalde aandoening is waarvoor een causaal verband met de vervolging ontbreekt.

2.2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat er wel degelijk een verband bestaat tussen de osteoporosis en de ondervoeding waaraan hij tijdens de onderduik heeft geleden. In dat verband heeft hij ook verwezen naar een publicatie in een Israëlisch nieuwsblad. In die publicatie is de situatie geschetst van een betrokkene die in de voor de vorming van beenderstelsel kritische tijd aan ondervoeding heeft geleden en bij wie is aangenomen dat dit op latere leeftijd tot osteoporosis heeft geleid.

2.3. Verweerder heeft het bezwaar om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze heeft het advies van Loonstein onderschreven. Allereerst is aangegeven dat ondervoeding in opvangkampen in dit geval niet onder de Wuv valt, omdat niet het verblijf in deze kampen maar de vlucht naar Frankrijk hier het vervolgingsaspect is. Vervolgens heeft de medisch adviseur aangegeven dat een achterstand in het bottenstelsel ten gevolge van ondervoeding in de vroege jeugd (tot 17 à 18-jarige leeftijd) in de jaren daarna nog kan worden gecompenseerd tot een (vrijwel) normale botmassa en dus niet kan worden beschouwd als een oorzakelijke factor. Een erfelijke bepaaldheid dan wel aanlegstoornis wordt gezien als de meest plausibele oorzaak voor de osteoporose. Dat bepaald medicijngebruik (met name het gebruik van corticosteroïden bij longaandoeningen) als oorzaak kan worden gezien, acht de medisch adviseur niet aan de orde, omdat appellant heeft aangegeven nooit corticosteroïden te hebben gebruikt.

2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk gemotiveerd (CRvB 31 augustus 2006, LJN AY7742). Dat de geneeskundig adviseur onjuist zou hebben gehandeld door appellant telefonisch te benaderen met vragen over het medicijngebruik zonder een schriftelijke goedkeuring van appellant, kan niet worden onderschreven. Namens verweerder is ter zitting aangegeven dat het telefoongesprek alleen was bedoeld om duidelijkheid te krijgen over het (soort) medicijngebruik en een mogelijke relatie daarmee met de osteoporose. Het betrof dus slechts een feitelijke vraag uit zorgvuldigheidsoverwegingen. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseurs, heeft ingenomen. De stelling van appellant in beroep dat hij wel in 2001 Seretide (een inhaler met steroïde) heeft gebruikt, is daarvoor onvoldoende. Zoals ook blijkt uit het in beroep nader uitgebrachte medisch advies van de arts A.M. Ohlenschlager, heeft dit medicijngebruik pas plaatsgevonden nadat de osteoporose in 2000 bij appellant was vastgesteld. Het gebruik van die medicatie kan bij het ontstaan van die aandoening dus geen rol hebben gespeeld. Van het door appellant gestelde gebruik van prednison in 1984 zijn geen gegevens meer te achterhalen, omdat - zoals appellant zelf heeft aangegeven - de betreffende kliniek al twintig jaar gesloten is.

2.5. Het beroep van appellant moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.C. Nijholt

HD