Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
10-2895 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Onroerende zaken in Marokko. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2895 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 maart 2010, 09/4798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak 21 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak 11/1443 WWB, plaatsgevonden op 10 juli 2012. Voor appellante is mr. Ben-Saddek verschenen. De commissie heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 5 februari 1994 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Uit een door de afdeling Fraudebestrijding van de Directie Sociale Zaken van de gemeente Breda opgemaakt rapport van 29 september 2008 blijkt dat informatie is ontvangen waarin naar voren komt dat appellante beschikt over onroerende zaken in Marokko. Naar aanleiding van deze gegevens heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie op verzoek van de afdeling fraudebestrijding van de Dienst Sociale Zaken een onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek blijkt dat appellante sinds 18 juli 2002 als eigenaar van een kavel grond in Berkane (Marokko) staat geregistreerd, waarop een huis is gebouwd. Appellante heeft het onroerend goed destijds gekocht voor 450.000,-- Dirham, ongeveer € 46.933,07. De waarde van de grond en het huis is door M’hamed Taoussi, beëdigd taxateur, op 20 januari 2009 geschat op 1.700.000,-- Dirham, omgerekend ongeveer € 154.000,-- .

1.3. In deze onderzoeksbevindingen heeft de commissie aanleiding gezien om bij besluit van 27 april 2009 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2009 in te trekken. Bij besluit van 21 september 2009 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan melding te maken aan de commissie, beschikt over vermogen dat het vrij te laten vermogen overschrijdt, zodat zij geen recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellante ten tijde hier in geding bij de zogenoemde Service de la Conservation Foncière als eigenaar van de grond en het huis staat geregistreerd. Het register van de Service de la Conservation Foncière is aan te merken als een officieel eigendomsregister. Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat de eigendom van een onroerende zaak in een officieel eigendomsregister is geregistreerd op naam van een betrokkene de vooronderstelling dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van diens vermogen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2. Appellante is daarin niet geslaagd. Appellante heeft betoogd dat zij weliswaar juridisch eigenaar was van de grond en het huis, maar niet economisch eigenaar. Zij kon er feitelijk niet over beschikken. De eigen schriftelijke verklaring van appellante waarin zij uitlegt waarom de grond met het huis op haar naam is geregistreerd, is onvoldoende om aan te tonen dat zij redelijkerwijs niet kon beschikken over de grond en het huis. Evenmin geven de overgelegde verklaring van de voormalige eigenaar, het bewijs van eigendomsoverdracht van 14 januari 2010 en de doktersverklaring van 16 juni 2009 aanleiding om te oordelen dat appellante ten tijde hier in geding niet redelijkerwijs kon beschikken over de grond en het huis. De eigen verklaring van appellante en de overgelegde stukken zijn immers niet aan te merken als objectieve en verifieerbare stukken omtrent de eigendom van het in geding zijnde onroerend goed tijdens de hier aan de orde zijnde periode.

4.3. Gelet op 4.1 en 4.2, en in aanmerking genomen de waarde van het onroerend goed zoals vermeld in 1.2, heeft de commissie op goede gronden aangenomen dat appellante op 1 april 2009 beschikte over vermogen waarvan de waarde aanzienlijk hoger lag dan de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen.

4.3.1. Appellante heeft nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de waarde van het onroerend goed, getaxeerd op € 154.000,--, door haar niet is betwist. Aan appellante moet worden toegegeven dat zij deze waarde ter zitting van de rechtbank heeft betwist. Dit hoeft echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak te leiden. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellante dit rechtgezet wil hebben en dat het hier om een formele betwisting van de juistheid van het genoemde bedrag ging. Zij erkent op zichzelf wel, zoals ter zitting naar voren is gekomen, dat een inhoudelijke betwisting van de waarde er niet toe zou kunnen leiden dat moet worden aangenomen dat de waarde op en vanaf 1 april 2009 onder de grens van het vrij te laten vermogen ligt.

4.3.2. De conclusie is dat de hoogte van het vermogen van appellante ten tijde hier van belang een belemmering vormde voor de voortzetting van de bijstand aan haar.

4.4. Appellante betwist dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad volgt dat standpunt niet. Appellante heeft immers, in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting, aan de commissie geen opgave gedaan van het gegeven dat zij met ingang van 18 juli 2002 en ook nog op 1 april 2009 beschikte over onroerend goed in Marokko. Anders dan zij stelt, gaat het hier om een gegeven waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Deze schending heeft met zich gebracht dat aan appellante vanaf 1 april 2009 ten onrechte bijstand is verleend. De commissie was dan ook bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van die datum in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen beroepsgronden gericht.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

HD