Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
07-5133 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenloopaanvraag WUV en WUBO. In bezwaar heeft verweerder de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde motivering gewijzigd, maar het bestreden besluit strekt nog steeds tot weigering van een WUBO-uitkering en -voorzieningen. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien de kosten van bezwaar te vergoeden, omdat geen sprake is van herroepen in de zin van artikel 7:15 Awb. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5133 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 9 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2007, kenmerk BZ 6987, JZ/Z70/2006 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1928, is in 2002 op grond van deportatie naar kamp Westerbork en een verblijf van enkele dagen aldaar erkende als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo. Zij is toen niet in aanmerking gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo, periodieke uitkering of voorzieningen, op de grond dat er geen sprake was van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. In beroep hield deze afwijzing stand.

1.2. Appellante heeft zich in augustus 2005 opnieuw tot verweerder gewend en een zogenoemde samenloopaanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wubo dan wel op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1940 (Wuv). Bij besluiten van 22 december 2005 is op deze aanvraag afwijzend beslist. Het bezwaar ten aanzien van de Wuv is bij besluit van 1 februari 2007 gegrond verklaard, waarbij appellante op grond van de Wuv met de vervolgde is gelijkgesteld en met ingang van 1 augustus 2005 in aanmerking is gebracht voor een periodieke uitkering en voorzieningen. Het bezwaar met betrekking tot de Wubo is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Weliswaar is aanvaard dat bij appellante sprake is van blijvende psychische invaliditeit door het ondergane oorlogsgeweld, maar in het kader van de Wubo zijn aan haar geen financiële aanspraken toegekend omdat de aanspraken op grond van de Wuv voor haar financieel gunstiger zijn. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de kosten van bezwaar te vergoeden, omdat geen sprake is van herroepen in de zin van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2. Het beroep is uitsluitend gericht tegen de weigering van verweerder om de kosten van verleende rechtsbijstand te vergoeden.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 augustus 2006, LJN AY8044) is van “herroepen” in de zin van artikel 7:15 van de Awb slechts sprake indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In het onderhavige geval was het primaire besluit gericht op de toekenning van een uitkering en voorzieningen. In bezwaar heeft verweerder de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde motivering gewijzigd, maar het bestreden besluit strekt nog steeds tot weigering van een uitkering en voorzieningen. Derhalve is van herroeping geen sprake. Overigens zijn de proceskosten in bezwaar bij deze samenloopaanvraag bij de toekenning van aanspraken op grond van de Wuv wel vergoed.

2.2. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

3.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

3.3. Voor het geval van appellante betekent dit het volgende. Het inleidend bezwaarschrift is door verweerder op 10 januari 2006 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer zes jaar en zeven maanden verstreken. Dit is meer dan twee-en-een-half jaar. Vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van het bestreden besluit is ruim een jaar verstreken. Vanaf de ontvangst van het inleidend beroepschrift door de Raad op 16 maart 2007 tot aan de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal naast verweerder de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure worden aangemerkt.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummers 12/4508 en 12/4509 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD