Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
07-1755 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang bij het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1755 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 9 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Namens appellant is bij brief 19 van maart 2007 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 16 februari 2006 dat is ingediend tegen het niet beslissen op een aanvraag om gelijkstelling met de vervolgde.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is geboren in 1941 te Slowakije. Nadat eerder afwijzend is beslist op aanvragen van appellante om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) heeft zij in februari 2005 verweerder (wederom) verzocht die afwijzing te herzien. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 23 juni 2005. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft er op 20 september 2005 een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens die hoorzitting is verzocht om appellante onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. Bij besluit van 21 september 2007 heeft verweerder hierop afwijzend beslist. De afwijzing is na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 27 maart 2008. Tegen het laatstgenoemde besluit is geen beroep ingesteld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van de gedingstukken staat vast dat verweerder de behandeltermijn voor de op 20 september 2005 gedane aanvraag heeft overschreden.

2.2. Aangezien niet is gebleken of door appellante is gesteld dat zij, gelet op voornoemde besluiten van 21 september 2007 en 27 maart 2008, nog enig procesbelang heeft bij het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de Raad.

3.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

3.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 juni 2009, LJN BI8287, CRvB 4 november 2005, LJN AU5643) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De redelijke termijn is dan ook aangevangen op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit heeft ontvangen.

3.3. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

3.4. Voor het geval van appellante betekent dit het volgende. Het inleidend bezwaarschrift is door verweerder op 17 februari 2006 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer zes jaar en zes maanden verstreken. Dit is meer dan twee-en-een-half jaar. Vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van het bestreden besluit is één jaar en zeven maanden verstreken. Vanaf de ontvangst van het inleidend beroepschrift door de Raad op 20 maart 2007 tot aan de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal naast verweerder de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure worden aangemerkt.

4. De Raad ziet tot slot aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Naar vaste rechtspraak wordt bij het op goede gronden instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar de wegingsfactor zeer licht (0,25 punt) toegepast. De kosten worden dan ook begroot op € 80,50 (0,25 x € 322,-) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 80,50 aan verleende rechtsbijstand;

- bepaalt dat verweerder aan appellante et door haar in beroep betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummers 12/4514 WUV en 12/4515 WUV ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD