Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
11-6056 WIJ-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 22 september 2010, dat niet per aangetekende post is verzonden, daadwerkelijk op die datum is verzonden naar het adres van appellante. Het standpunt van het college, dat het datumstempel op het besluit het bewijs van verzending op dezelfde dag naar het adres van appellante vormt, kan niet worden gevolgd. Van een deugdelijke verzendadministratie is immers geen sprake. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat appellante handelingen heeft verricht of bij het college om informatie heeft gevraagd, waaruit moet worden afgeleid dat zij het besluit van 22 september 2010 eerder dan zij stelt moet hebben ontvangen of ingezien. Het enkele feit dat appellante om opheldering heeft gevraagd over de afhandeling van haar aanvraag is daartoe onvoldoende. Het bezwaar is ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Raad draagt het college op om een nieuw, inhoudelijk, besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6056 WIJ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 september 2011, 11/1515 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (college)

Datum uitspraak: 7 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Namens appellante is mr. Berkhouwer verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft tot en met 7 augustus 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 16 augustus 2010 heeft zij een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluit van 22 september 2010 heeft het college haar een werkleeraanbod gedaan en haar met ingang van 8 augustus 2010 een inkomensvoorziening naar de norm voor een alleenstaande van 21 tot 27 jaar toegekend. Appellante is geen toeslag toegekend, omdat zij volgens het college wegens haar woonsituatie lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft.

1.2. Appellante heeft bij faxbericht van 4 februari 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 september 2010. In een faxbericht van 17 februari 2011 is aangevoerd dat appellante het besluit van 22 september 2010 nooit heeft ontvangen. Aangegeven is dat zij een (ongedateerd) afschrift van het besluit eerst in week 4 van 2011 heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft betoogd dat zij het besluit van 22 september 2010 niet heeft ontvangen. Het college heeft de verzending van het besluit van 22 september 2010 niet aannemelijk gemaakt.

3.2. Het college heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat appellante de ontvangst van het besluit van 22 september 2010 niet geloofwaardig heeft ontkend. Daarbij komt volgens het college betekenis toe aan het feit dat appellante zelf een aanvraag voor een werkleeraanbod heeft ingediend en dat het bij het uitblijven van een beslissing daarover in de rede had gelegen dat zij om opheldering zou hebben gevraagd. Voorts heeft het college gewezen op de periodieke betalingen die naar aanleiding van het besluit van 22 september 2010 vanaf 30 september 2010 op de bankrekening van appellante zijn gedaan. Het moet appellante dus duidelijk zijn geweest dat er een besluit was genomen. Van appellante kon worden verwacht dat zij navraag deed naar die besluitvorming ten einde, indien zij zich daarin niet kon vinden, daartegen bezwaar te maken, aldus het college. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft het college verwezen naar de uitspraak van de Raad van 16 december 2008, LJN BG7243.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal het bestuursorgaan nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de ontvangst van het besluit.

4.3. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 22 september 2010, dat niet per aangetekende post is verzonden, daadwerkelijk op die datum is verzonden naar het adres van appellante. Het standpunt van het college, dat het datumstempel op het besluit het bewijs van verzending op dezelfde dag naar het adres van appellante vormt, kan niet worden gevolgd. Van een deugdelijke verzendadministratie is immers geen sprake. Evenmin heeft het college op andere wijze aannemelijk gemaakt dat het besluit van 22 september 2010 is verzonden.

4.4. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat appellante handelingen heeft verricht of bij het college om informatie heeft gevraagd, waaruit moet worden afgeleid dat zij het besluit van 22 september 2010 eerder dan zij stelt moet hebben ontvangen of ingezien. Het enkele feit dat appellante om opheldering heeft gevraagd over de afhandeling van haar aanvraag is daartoe onvoldoende.

4.5. Het voorgaande betekent dat verzending van het besluit op 22 september 2010 in rechte niet kan worden aangenomen en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb niet is aangevangen een dag na de datering van dat besluit. Appellante heeft niet eerder kennis gekregen van dat besluit dan door toezending van een afschrift daarvan in week 4 van 2011, zodat het door het college op 7 februari 2011 ontvangen bezwaarschrift tijdig is ingediend en het bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.

4.6. Opgemerkt wordt nog dat de uitspraak van de Raad van 8 mei 2009, LJN BI4660, waarnaar in de aangevallen uitspraak is verwezen, een niet met deze situatie vergelijkbaar geschil betrof. Kortheidshalve wordt verwezen naar de in 4.1 van die uitspraak weergegeven feiten en omstandigheden.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.8. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In het voorliggende geval ziet de Raad, omdat nu te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw, inhoudelijk, besluit op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 maart 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E. Heemsbergen

RK