Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
10-6148 ZW + 10-6149 WAO + 10-6151 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. Door appellante zijn in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij meer dan wel anders beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende overtuigend gesteld en inzichtelijk gemaakt dat appellante met in achtneming van de in de FML vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de voor haar geduide functies te vervullen. Weigering heropening WAO-uitkering. Het Uwv heeft terecht aangenomen dat bij appellante geen sprake was van toegenomen beperkingen. Beëindiging ZW-uitkering. Het door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts ingestelde onderzoek naar de gezondheidstoestand van appellante is voldoende zorgvuldig en compleet. Het Uwv heeft appellante terecht in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6148 ZW, 10/6149 WAO, 10/6151 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 oktober 2010, 09/1844 (aangevallen uitspraak 1), 5 oktober 2010, 09/5797 (aangevallen uitspraak 2) en 5 oktober 2010, 10/734 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Namens appellante is verschenen mr. Alaca. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 23 maart 1999 uitgevallen voor haar werk als productiemedewerkster voor acht uur per week. Met ingang van 5 april 2000 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

1.2. Bij besluit van 30 december 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 maart 2009 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15 % was.

1.3. Bij besluit van 8 mei 2009 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe de medische en de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven en geoordeeld dat het Uwv de bij appellante op en na 1 maart 2009 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 15 %, hetgeen betekent dat de uitkering van appellante terecht en op goede gronden met ingang van genoemde datum is ingetrokken.

3.1. Appellante heeft op 24 maart 2009 verzocht de WAO-uitkering te heropenen vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid per die datum. Bij besluit van 13 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering van appellante per 24 maart 2009 te heropenen omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

3.2. Bij besluit van 13 november 2009 (bestreden besluit 2) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juli 2009 ongegrond verklaard.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de zorgvuldig opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapportages, waarin de door appellante overgelegde medische informatie kenbaar is betrokken. Nu de per 1 maart 2009 vastgestelde medische beperkingen van appellante per 24 maart 2009 niet zijn toegenomen, heeft het Uwv terecht geweigerd de WAO-uitkering van appellante met ingang van laatstgenoemde datum te heropenen.

5.1. Appellante heeft zich op 2 september 2009 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld vanwege onder meer hoofdpijn-, rug-, arm- en beenklachten. Op 2 december 2009 is appellante door de verzekeringsarts met ingang van 4 december 2009 geschikt geacht tot het verrichten van arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 2 december 2009 is bepaald dat zij vanaf 4 december 2009 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW.

5.2. Bij besluit van 9 februari 2010 (bestreden besluit 3) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard.

6. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in voldoende mate kennis vergaard omtrent de relevante medische feiten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts appellante hebben onderzocht en dat het door appellante in beroep overgelegde advies van 23 januari 2010 van haar psycholoog kenbaar in de beoordeling is betrokken. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op en na 4 december 2009 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van de maatgevende arbeid.

7. In haar hoger beroepen heeft appellante (samengevat) gesteld dat zij per de data in geding meer beperkingen ondervond als door het Uwv zijn aangenomen en bijgevolg niet in staat was de maatgevende arbeid, bestaande uit de in het kader van de WAO beoordeling geduide functies, te verrichten.

8. De Raad oordeelt als volgt.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 1 (10/6148 ZW)

8.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. Beide artsen hebben appellante onderzocht, waarbij de verzekeringsarts een psychiatrische expertise heeft laten verrichten en voorts informatie van de behandelend sector heeft betrokken. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts, alle medische informatie overziende, aanleiding gezien meer beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante aan te nemen en deze opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 februari 2009. Door appellante zijn in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij meer dan wel anders beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 wordt onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 7 mei 2009 voldoende overtuigend gesteld en inzichtelijk gemaakt dat appellante met in achtneming van de in de FML van 17 februari 2009 vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de voor haar geduide functies te vervullen. In zijn rapportage van 10 februari 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de functie van productiemedewerker kartonnage (Sbc-code 111190) bij nader inzien niet passend geacht en heeft deze functie daarom niet langer gehandhaafd. Het wegvallen van deze functie heeft geen consequenties voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid omdat deze functie niet behoort tot de functies met de drie bestbelonende Sbc-codes die de schatting dragen. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daarmee minder dan 15 %.

8.2. Uit hetgeen in 8.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 1 bevestigd dient te worden.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 (10/6149 WAO)

8.3. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het Uwv terecht heeft aangenomen dat bij appellante per 24 maart 2009 geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van hetgeen is vastgesteld in de FML van 17 februari 2009. De Raad beantwoord deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak 2. In haar hoger beroepschrift heeft appellante verwezen naar hetgeen zij tegen aangevallen uitspraak 1 heeft aangevoerd en in essentie de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak 2 neergelegde oordeel van de rechtbank. Door appellante zijn geen medische stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellantes beperkingen per 24 maart 2009 zijn toegenomen ten opzichte van beperkingen neergelegd in FML 17 februari 2009. Anders dan door appellante is gesteld kunnen aan de brief van de huisarts, die dateert van 6 mei 2010, geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de beperkingen van appellante per datum als hier in geding.

8.4. Uit het hiervoor in 8.3 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 2 bevestigd dient te worden.

Met betrekking tot aangevallen uitspraak 3 (10/6151 WAO)

8.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts ingestelde onderzoek naar de gezondheidstoestand van appellante voldoende zorgvuldig en compleet is. Zij hebben daarbij medische informatie van de behandelend sector betrokken en hun bevindingen overtuigend en inzichtelijk gerapporteerd. Op grond van deze bevindingen heeft het Uwv appellante terecht in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid per 4 december 2009 en de ZW-uitkering van appellante per die datum beëindigd. Door appellante is in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een andersluidend oordeel zou moeten leiden.

8.6. Uit hetgeen in 8.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en mitsdien aangevallen uitspraak 3 eveneens bevestigd dient te worden.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi

NW