Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
10-4360 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft voor het begrip “zijn arbeid” een juiste maatstaf aangenomen. Het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De bezwaarverzekeringsarts heft voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante ondanks haar klachten in staat geacht kan worden haar arbeid te verrichten. Aangezien appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij vanwege eerder genoemde klachten meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4360 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juli 2010, 09/750 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.A.E. Vancraeynest, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 juni 2012 heeft mr. A.T. Meijhuis, kantoorgenoot van mr. Vancraeynest, zich als gemachtigde van appellante gesteld en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2012 waar appellante is verschenen en waar het Uwv zich, met bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante werkte vanaf 18 juni 2007 op basis van een jaarcontract voor 40 uur per week als management-assistente in een gezin. Op 29 april 2008 is zij wegens spier-, pees- en gewrichtsklachten uitgevallen. Na verloop van tijd zijn daarnaast vermoeidheidsklachten ontstaan.

1.2. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het Uwv de aan appellante toegekende Ziektewetuitkering met ingang van 11 maart 2009 beëindigd. Bij besluit van 16 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de functie management-assistente in een gezin terecht als haar arbeid heeft aangemerkt. De inhoud en de belasting van de in aanmerking te nemen arbeid is door het Uwv, mede gelet op de door appellante gegeven werkomschrijving van 7 april 2009, juist vastgesteld. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag en er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Aan het rapport van internist T. Wijlhuizen van 2 juli 2009, werkzaam bij het Vermoeidheidscentrum, en de door hem getrokken conclusie dat appellante volledig arbeidsongeschikt is, liggen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectiveerbare gegevens ten grondslag.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de aard van haar werkzaamheden. De gehanteerde maatstaf is onjuist, de werkzaamheden waren meer belastend dan waarvan het Uwv bij de beoordeling is uitgegaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep een nadere omschrijving gegeven van haar werk(week). Daarnaast stelt appellante dat de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Appellante kon, met name vanwege haar artrose, haar werk niet meer uitvoeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.

4.2. Voor haar ziekmelding op 29 april 2008 was appellante gedurende 40 uur per week werkzaam als management-assistente in een gezin. Appellante heeft in het kader van de heroverweging in bezwaar op verzoek van het Uwv een werkomschrijving gegeven van haar werkzaamheden zoals zij die voor haar uitval verrichtte. Daarin heeft zij tevens het arbeidspatroon en de voorkomende belasting binnen het eigen werk beschreven. Samengevat blijkt uit deze werkomschrijving dat appellante de kinderen binnen het gezin verzorgde en voorts het huishouden voerde. Gelet op de inhoud van deze omschrijving en het gegeven dat deze in grote lijnen overeenkomt met de nadere toelichting die appellante in hoger beroep heeft gegeven heeft het Uwv voor het begrip “zijn arbeid” een juiste maatstaf aangenomen.

4.3. Het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. Ten tijde van de heroverweging in bezwaar was informatie beschikbaar van de reumatoloog drs. A.E. van der Bijl. Op basis van deze informatie, in combinatie met de bevindingen bij het eigen onderzoek op 16 april 2009 en nader ingekomen informatie van internist dr. J.P. Neijt van 6 mei 2009, is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er geen redenen zijn om bij appellante beperkingen vast te stellen. De verzekeringsarts heeft er, zo oordeelt de bezwaarverzekeringsarts, goed aan gedaan om uit preventief oogpunt beperkingen vast te stellen voor al te grote belasting van het bewegings-apparaat.

4.4. Met de rechtbank en onder verwijzing naar de rapporten van bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter van 9 oktober 2009 en 13 januari 2010, opgesteld naar aanleiding van door appellante overgelegde nadere medische gegevens, is de Raad van oordeel dat deze arts voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante ondanks haar klachten in staat geacht kan worden haar arbeid te verrichten. Zoals uit eerder genoemde rapporten duidelijk blijkt wordt door de bezwaarverzekeringsarts niet ontkend dat de behandelend reumatoloog enige tekenen van artrose aan appellantes handen heeft gevonden. Hiervan uitgaande en daarnaast het gegeven dat de behandelend arts geen aanleiding heeft gezien voor nader onderzoek wordt door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen dat sprake is van een milde vorm van artrose met een beginnend karakter hetgeen naar zijn oordeel geen grondslag is voor het onderschrijven van appellantes standpunt dat zij, vanwege haar artrose klachten, niet in staat is haar arbeid te verrichten.

4.5. Aangezien appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij vanwege eerder genoemde klachten meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

-wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV