Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
10-6260 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een beëindiging van de ZW-uitkering gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is voldoende zorgvuldig geweest en de bevindingen en conclusies van dat onderzoek kunnen het bestreden besluit dragen. Nu appellante geen informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Evenmin is er aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6260 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2010, 10/2021 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2012 waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lenting en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Er wordt uitgegaan van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld en volstaan met het volgende.

1.2. Appellante heeft zich op 24 september 2009, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld wegens psychische klachten. Haar is vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 29 januari 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat zij niet ongeschikt wordt geacht voor de functies die in 2005, in het kader van een beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge-schiktheidverzekering (WAO), aan haar zijn voorgehouden.

1.4. Bij besluit van 19 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 februari 2010, onder verwijzing naar het rapport van 19 april 2010 van bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar, met name psychische, beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante verwezen naar een brief van haar huisarts R.I.M. Boggia en een recente rapportage van haar behandelaars bij PsyQ overgelegd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste rechtspraak van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

4.2. De Raad staat daarom voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 29 januari 2010 in elk geval niet (langer) ongeschikt moest worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een beëindiging van de ZW- uitkering gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Daarvan is in de onderhavige zaak sprake. Uit het rapport van de verzekeringarts van 22 februari 2010 blijkt dat deze arts appellante op het spreekuur heeft gezien en haar psychische belastbaarheid heeft onderzocht. De verzekeringarts acht appellante in staat om, ondanks haar resterende klachten, de eerder in het kader van de WAO aan haar voorgehouden functies te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op de hoorzitting gesproken en op basis van de in het dossier aanwezige medische gegevens, de verkregen informatie tijdens de hoorzitting en de brief van appellantes huisarts van 24 maart 2010 geconcludeerd dat appellante beperkingen heeft ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Rekening houdende met deze beperkingen wordt appellante in staat geacht de geduide functies te verrichten. Naar het oordeel van de bezwaarverzekeringarts gaat het hierbij om lichte, stress-arme productiefuncties die weinig eisen stellen aan de cognitieve en emotionele draagkracht. In beroep heeft deze arts, in zijn rapport van 25 juni 2010, gereageerd op een brief van sociaal psychiatrisch verpleegkundige M. van Stiphout en gemotiveerd waarom de gestelde diagnose depressie en de behandeling daarvan door een psychiater geen aanleiding zijn voor het aannemen van zwaardere beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

4.4. Aan de in hoger beroep door appellante overgelegde brief van haar huisarts en het rapport van PsyQ kan niet die waarde worden toegekend die appellante daaraan toegekend zou willen zien. De brief van de huisarts was bij de bezwaarverzekeringsarts bekend en is bij de beoordeling betrokken. Het rapport van PsyQ werpt geen ander licht op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding.

4.5. Nu appellante geen informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv per 29 januari 2010 haar beperkingen heeft onderschat, is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Evenmin is er aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.

4.6. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV