Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
10-6886 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ZW-uitkering. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onzorgvuldig dan wel voor onjuist te houden. Ten aanzien van het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gedragslijn zoals aangegeven in het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS geldt volgens vaste rechtspraak dat deze protocollen niet van toepassing zijn bij een ZW-beoordeling. Het Uwv heeft op goede gronden de conclusie getrokken dat appellante in staat moet worden geacht om haar arbeid te verrichten en dat appellante met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6886 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 november 2010, 10/252 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was op basis van een aanstelling voor bepaalde tijd werkzaam als invalleerkracht voor twee keer drie uur per week. Op 25 mei 2009 heeft zij zich ziek gemeld met toenemende vermoeidheidsklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante telefonisch en persoonlijk contact gehad met een verzekeringsarts. Na het spreekuur van 11 augustus 2009 heeft deze arts informatie opgevraagd bij de reumatoloog van appellante. Op grond van zijn eigen bevindingen en de informatie van de reumatoloog heeft de verzekeringsarts appellante per 18 november 2009 hersteld verklaard.

1.2. Bij besluit van 18 november 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per gelijke datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en daarom met ingang van 18 november 2009 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Het tegen het besluit van 18 november 2009 gerichte bezwaar van appellante is na een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts op 22 december 2009, bij besluit van 23 december 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, die volgens de rechtbank voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht, en zich op de juiste medische gegevens heeft gebaseerd.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar standpunt dat het Uwv bij zijn beoordeling rekening had moeten houden met de gedragslijn zoals is weergegeven in het verzekeringsgeneeskundig protocol Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS). Immers, een internist van het VermoeidheidCentrum Nederland b.v. heeft blijkens de brief van 13 augustus 2010 bij appellante de diagnose CVS gesteld en desondanks heeft het Uwv geen beperkingen ter zake van haar vermoeidheidsklachten aangenomen. Ter onderbouwing van het standpunt dat de vermoeidheidsklachten door het Uwv zijn onderschat, heeft appellante een brief van 4 maart 2011 overgelegd van een arts slaap- en waakstoornissen en een neuroloog van het Slaapcentrum SEIN Zwolle-Groningen. In die brief is als conclusie aangegeven dat bij appellante sprake is van een psychogene verhoogde slaapbehoefte en van atypische restless legs. Er kon geen obstructief slaapapneusyndroom worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De verzekeringsarts heeft met appellante meerdere keren contact gehad. Hij heeft de conclusie dat appellante met ingang van 18 november 2009 niet meer ongeschikt is voor haar arbeid mede gebaseerd op informatie van de reumatoloog. Deze heeft vanuit haar specialisme geen verklaring kunnen geven voor het uitgebreide klachtenpatroon van appellante en achtte een relatie met de copingstijl van appellante waarschijnlijk. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit de rapportage van 22 december 2009, bij haar beoordeling tevens betrokken de aanvullende informatie die zij van appellante heeft gekregen inzake haar bezoeken aan de gynaecoloog, internist en neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de voor appellante gestelde beperkingen in voldoende mate tegemoetkomen aan de feitelijke aard en ernst van haar aandoeningen. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de in beroep overgelegde informatie van het VermoeidheidCentrum van 23 februari 2010 en 13 augustus 2010 geen aanleiding vormt om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Ook ten aanzien van de brief van het Slaapcentrum SEIN Zwolle-Groningen van 4 maart 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 15 juni 2011 adequaat gemotiveerd dat er geen argumenten zijn om het oordeel omtrent de arbeidsgeschiktheid voor het eigen werk van appellante per 18 november 2009 te wijzigen. In het rapport van 15 juni 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts nog opgemerkt dat ook al wordt ervan uitgegaan dat appellante per etmaal ruim elf uur in bed doorbrengt, zij desondanks in staat is om haar eigen werkzaamheden van twee keer drie uur per week te verrichten. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onzorgvuldig dan wel voor onjuist te houden.

4.2. Ten aanzien van het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gedragslijn zoals aangegeven in het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS geldt volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737) dat deze protocollen niet van toepassing zijn bij een ZW-beoordeling. Het standpunt van appellante kan dan ook niet worden gevolgd.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het Uwv op goede gronden de conclusie heeft getrokken dat appellante per 18 november 2009 in staat moet worden geacht om haar arbeid te verrichten en appellante met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen plaats.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi

EV