Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5312

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
10-5261 WAZO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BN5170, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is in 2005 met haar partner getrouwd. Op 3 januari 2010 is haar partner bevallen van een kind. Appellantes verzoek tot adoptie voor het kind is door op 19 februari 2010 toegewezen. Appellantes verzoek om adoptieverlof op grond van art. 3:2 en een uitkering in verband met adoptie op grond van art. 3:7 van de WAZO is door het Uwv afgewezen.

Raad: In het systeem van de WAZO - als onderdeel van dat deel van de sociale zekerheid dat in specifiek omschreven situaties aan werknemers en (soms) aan zelfstandigen uitkeringen in verband met inkomensderving verstrekt - wordt een onderscheid gemaakt tussen verlof en uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dan wel in verband met adoptie. In de situatie dat een vrouw zwanger is en bevalt van een kind is er voor haar de mogelijkheid tot het verkrijgen van zwangerschaps- en bevallingsverlof en -uitkering. Daarnaast bestaat op grond van art. 4:2 van de WAZO de mogelijkheid tot het aanvragen van kraamverlof. Deze mogelijkheid staat ook voor appellante open (het geslacht is daarvoor immers niet bepalend). Hetzelfde geldt voor het zorgverlof van art. 5:1 en het ouderschapsverlof van art. 6:1, lid 2 WAZO. Gaat het om het van buiten het gezin opnemen van een kind ter adoptie in het gezin, dan bestaat de mogelijkheid van een adoptie-uitkering als bedoeld in art. 3:7 van de WAZO. Het moet in strijd met de strekking en het systeem van de WAZO worden geacht dat binnen één gezinseenheid recht zou bestaan op zwangerschaps- en bevallingsuitkering, terwijl (min of meer) tegelijkertijd de mogelijkheid tot het verkrijgen en ontvangen van een adoptie-uitkering voor hetzelfde kind aanwezig zou zijn. De Rb. heeft in dit verband terecht gewezen op de MvT bij de WAZO (Kamerstukken II 1999-2000, 27207, nr. 3, p.17 en 18) waarin gewenning van het kind in het gezin als grondslag voor adoptieverlof en -uitkering wordt genoemd, terwijl de toelichting uitgaat van het van buiten het gezin in het gezin opnemen van het kind ter adoptie. In de situatie van appellante wordt het kind niet feitelijk van buiten een gezin opgenomen, maar wordt het kind “binnen het gezin” bij de partner geboren; in die zin is de situatie van appellante te vergelijken met die van een vader. Aangevallen uitspraak bevestigd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid en zorg 3:2, geldigheid: 2012-08-27
Wet arbeid en zorg 3:7, geldigheid: 2012-08-27
Wet arbeid en zorg 4:2, geldigheid: 2012-08-27
Wet arbeid en zorg 5:1, geldigheid: 2012-08-27
Wet arbeid en zorg 6:1, geldigheid: 2012-08-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1831
RSV 2012/280

Uitspraak

10/5261 WAZO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van 17 augustus 2010 van de rechtbank Arnhem, 10/1686 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante en haar gemachtigde waren, met voorafgaand bericht, niet aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft het onderzoek heropend.

Bij brief van 14 mei 2012 heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.

Bij brief van 1 juni 2012 heeft voormelde gemachtigde op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald, dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is [in] 2005 getrouwd met [M.]. Op 3 januari 2010 is haar partner bevallen van een kind. Appellante heeft voor dit kind een verzoek tot adoptie ingediend, welk verzoek bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 19 februari 2010, is toegewezen. Appellante heeft vervolgens adoptieverlof op grond van artikel 3:2 en een uitkering in verband met adoptie op grond van artikel 3:7 van de Wet arbeid en zorg (WAZO) bij het Uwv aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2010 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat geen recht op adoptieverlof bestaat omdat geen sprake is van een gewenningsperiode nu het kind niet van buiten het gezin komt. Evenmin als voor een vader van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren, bestaat er voor appellante recht op een dergelijk verlof. Bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

9 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, evenals in bezwaar gesteld dat zij aan de voorwaarden van de artikelen 3:2 en 3:7 van de WAZO voldoet.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de WAZO geen definitie van het begrip adoptie kent en dat derhalve voor de inhoud van dit begrip aansluiting moet worden gezocht bij de uitleg en doelstelling van de wet zoals die tot uiting komt in de wetsgeschiedenis. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij de WAZO wordt vermeld dat de regering met de introductie van het recht op adoptieverlof het belang van een goede gewenning van het kind in het gezin wil onderstrepen. Weliswaar kan gewenning aan de nieuwe (gezins-) situatie ook bij deze vorm van adoptie een rol spelen, maar uit de toelichting blijkt dat bij gewenning met name is gedacht aan de situatie dat het kind van buiten het gezin in een nieuw gezin wordt opgenomen, waarbij de (juridische) banden met de bloed- en aanverwanten worden verbroken. Onder meer dit laatste aspect ontbreekt in de situatie van appellante en het te adopteren kind. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de feitelijke situatie niet anders is dan die van een vader: zowel voor appellante als een vader geldt dat binnen het gezin een kind bij de partner wordt geboren, zodat appellante in die zin gelijkgesteld kan worden met een vader.

4. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de WAZO slechts twee eisen aan het verlof in verband met adoptie stelt, te weten het bezit van de status van werknemer (of zelfstandige) en een (civiele) adoptie van het kind; aan beide eisen is voldaan. Andere eisen stelt de wettekst niet. Bovendien heeft zij er op gewezen dat de vergelijking met een vader niet opgaat omdat zij alleen via adoptie familierechtelijke banden met het kind van haar partner kan krijgen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voorop moet worden gesteld dat het begrip adoptie in de artikelen 3:2 en 3:7 van de WAZO geen andere betekenis heeft dan het civielrechtelijke begrip adoptie uit artikel 1:227 van het Burgerlijk Wetboek. Als hiervoor aangegeven is door de burgerlijke rechter bij Beschikking van 19 februari 2010 van de rechtbank Arnhem het verzoek tot adoptie van appellante toegewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante werknemer is in de zin van de WAZO.

5.2. Desalniettemin kan de Raad appellante niet volgen in haar stelling dat het Uwv haar verzoek om adoptieverlof en -uitkering ten onrechte heeft afgewezen. Ten aanzien van de partner van appellante die is bevallen van het kind dat appellante heeft geadopteerd, heeft het Uwv in voormelde brief van 14 mei 2012 meegedeeld dat geen aanvraag voor zwangerschapsverlof of -uitkering is ontvangen. Voor zover zij om haar moverende redenen dit verlof en deze uitkering niet heeft aangevraagd of voor zover zij dit niet heeft gedaan omdat zij geen werknemer of zelfstandige is, verkeert zij niet in een andere positie dan ieder ander die om haar moverende redenen geen aanvraag ingevolge de WAZO doet of geen werknemer of zelfstandige (in de zin van de WAZO) is.

5.3. In het systeem van de WAZO - als onderdeel van dat deel van de sociale zekerheid dat in specifiek omschreven situaties aan werknemers en (soms) aan zelfstandigen uitkeringen in verband met inkomensderving verstrekt - wordt een onderscheid gemaakt tussen verlof en uitkering in verband met zwangerschap en bevalling dan wel in verband met adoptie. In de situatie dat een vrouw zwanger is en bevalt van een kind is er voor haar de mogelijkheid tot het verkrijgen van zwangerschaps- en bevallingsverlof en -uitkering. Daarnaast bestaat op grond van artikel 4:2 van de WAZO de mogelijkheid tot het aanvragen van kraamverlof. Deze mogelijkheid staat ook voor appellante open (het geslacht is daarvoor immers niet bepalend). Hetzelfde geldt voor het zorgverlof van artikel 5:1 en het ouderschapsverlof van artikel 6:1, tweede lid, van de WAZO. Gaat het om het van buiten het gezin opnemen van een kind ter adoptie in het gezin, dan bestaat de mogelijkheid van een adoptie-uitkering als bedoeld in artikel 3:7 van de WAZO. Het moet in strijd met de strekking en het systeem van de WAZO worden geacht dat binnen één gezinseenheid recht zou bestaan op zwangerschaps- en bevallingsuitkering, terwijl (min of meer) tegelijkertijd de mogelijkheid tot het verkrijgen en ontvangen van een adoptie-uitkering voor hetzelfde kind aanwezig zou zijn. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de MvT bij de WAZO (Kamerstukken II 1999-2000, 27 207, nr.3, p.17 en 18) waarin gewenning van het kind in het gezin als grondslag voor adoptieverlof en -uitkering wordt genoemd, terwijl de toelichting uitgaat van het van buiten het gezin in het gezin opnemen van het kind ter adoptie. In de situatie van appellante wordt het kind niet feitelijk van buiten een gezin opgenomen, maar wordt het kind “binnen het gezin” bij de partner geboren; in die zin is de situatie van appellante te vergelijken met die van een vader.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.L. Schoor

IvR