Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
11-113 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk. Met de rechtbank en onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak, oordeelt de Raad dat de wettelijke bepalingen omtrent de termijnen voor het instellen van bezwaar en beroep van openbare orde zijn. Er bestaat mitsdien geen grond om het bestreden besluit met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel in strijd met deze wettelijke bepalingen niet in stand te laten. De door appellante aangevoerde grond dat de termijn van twee weken om in bezwaar te gaan te kort is nu appellante de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, slaagt evenmin. Van strijd met artikel 6 EVRM is de Raad ook niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/113 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 10/3805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Dosljak, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2012 waar namens appellante is verschenen mr. O. Labordus, kantoorgenoot van mr. S. Dosljak. Het Uwv heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Er wordt uitgegaan van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld en volstaan met het volgende.

1.2. Bij besluit van 15 september 2010 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2010 - waarbij met ingang van 25 januari 2010 appellantes uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) is beëindigd omdat zij geschikt geacht wordt voor het verrichten van haar arbeid - alsnog niet-ontvankelijk is verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat het Uwv niet zonder meer kan terugkomen op het eerder ingenomen standpunt dat de overschrijding van de termijn, bij het indienen van het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2010, verschoonbaar te achten is. Daarnaast stelt appellante dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en dat het haar om die reden onvoldoende duidelijk was dat zij binnen twee weken een bezwaarschrift moest indienen als zij het met het besluit niet eens was. Tot slot stelt appellante zich de vraag of in de onderhavige situatie sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu appellante wegens de beperkte kennis van de Nederlandse taal de naar haar mening korte bezwaartermijn van twee weken heeft overschreden.

4. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

4.1. Met de rechtbank en onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 23 december 2009 LJN BK8328), oordeelt de Raad dat de wettelijke bepalingen omtrent de termijnen voor het instellen van bezwaar en beroep van openbare orde zijn. Er bestaat mitsdien geen grond om het bestreden besluit met een beroep op het

rechtszekerheidsbeginsel in strijd met deze wettelijke bepalingen niet in stand te laten.

4.2. De door appellante aangevoerde grond dat de termijn van twee weken om in bezwaar te gaan te kort is nu appellante de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, slaagt evenmin. De Raad verwijst in dit kader naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 9 januari 2008, LJN BC1659), waarin wordt geoordeeld dat het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal geen reden is om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarnaast had appellante haar echtgenoot, die eigenaar is van een uitzendbureau, kunnen vragen de brief van het Uwv voor haar te vertalen, zodat in een eerder stadium een tussenpersoon zou zijn ingeschakeld en een (voorlopig) bezwaarschrift tijdig had kunnen worden ingediend. Van strijd met artikel 6 EVRM is de Raad ook niet gebleken.

4.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) K.E. Haan

EV