Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
10-3345 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gesteld. Vaststaat dat appellante het bankafschrift met volgnummer 4 niet heeft verstrekt binnen de gegeven hersteltermijn. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in dat gesprek heeft verzocht om verlenging van gestelde termijn. Er bestond daarom ook geen aanleiding om appellante alsnog een nadere hersteltermijn te bieden. De omstandigheid dat appellante het bewuste bankafschrift vervolgens later op die dag heeft ingeleverd is niet relevant. Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat appellante het bankafschrift toen volledig heeft ingeleverd. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand, mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Anders dan appellante stelt heeft het college niet in strijd met de achterliggende gedachte van artikel 4:5 van de Awb gehandeld door reeds op dezelfde dag waarop de informatie behoorde te worden aangeleverd de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het college was dan ook bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling laten van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3345 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 7 mei 2010, 10/319 en 10/320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)

Datum uitspraak 14 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhaegen. Het college heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 9 juni 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend met als gewenste ingangsdatum 3 juni 2009.

1.2. Bij brief van 25 juni 2009 heeft het college appellante meegedeeld dat zij niet alle benodigde gegevens heeft ingeleverd. In verband met de verdere behandeling van haar aanvraag is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 2 juli 2009 om 11.00 uur bij de afdeling Samenleving, Team Zorg, Werk & Inkomen. Appellante wordt dan in de gelegenheid gesteld enkele ontbrekende stukken in te leveren, waaronder het bankafschrift van haar bankrekening met volgnummer 4. In deze brief is aangegeven dat als appellante niet verschijnt of de gevraagde stukken niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat haar aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.

1.3. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende gehoor heeft gegeven aan het in de brief van 25 juni 2009 neergelegde verzoek om op 2 juli 2009 om 11.00 uur de gevraagde stukken te overleggen. Appellante heeft voorts onvoldoende antwoord gegeven op de gestelde vragen die noodzakelijk waren om het recht op bijstand of de hoogte daarvan vast te stellen. Bovendien is appellante weggelopen uit het gesprek waardoor verdere communicatie met haar niet meer mogelijk was.

1.4. Bij besluit van 15 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard.

1.5. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld. Voorts heeft appellante de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 12 augustus 2008, LJN BE0009) is inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Gelet hierop kon het college appellante (in het aanvraagformulier) verzoeken om overlegging van de bankafschriften over de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, dus van 8 maart 2009 tot en met 8 juni 2009. De omstandigheid dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, in het verleden gedurende lange tijd bijstand ingevolge de WWB heeft ontvangen is geen reden om hiervan af te wijken. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college de eerder aan appellante toegekende bijstand met ingang van 20 april 2009 had ingetrokken vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met een niet-rechthebbende partner. Na het verbreken van die samenwoning heeft appellante de aanvraag van 9 juni 2009 ingediend. Uit het feit dat appellante een nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend blijkt dat geen sprake was van een ononderbroken recht op bijstand. Juist in of door die onderbrekingsperiode kunnen de omstandigheden van appellante zijn gewijzigd, zodat anders dan appellante meent niet gezegd kan worden dat alle gegevens voor de beoordeling van het recht op bijstand bij het college aanwezig waren.

4.3. Appellante heeft erkend dat zij het bankafschrift met volgnummer 4 niet bij zich had ten tijde van het gesprek op 2 juli 2009. Daarmee staat vast dat appellante bankafschrift met volgnummer 4 niet heeft verstrekt binnen de bij de brief van 25 juni 2009 gegeven hersteltermijn. In de brief van 25 juni 2009 is appellante immers in de gelegenheid gesteld om “dan (…) de onderstaande ontbrekende gegevens alsnog over te leggen.” Het woord “dan” slaat terug op de eerder in die zin genoemde afspraak op 2 juli 2009 om 11.00 uur. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in dat gesprek heeft verzocht om verlenging van de in de brief van 25 juni 2009 gestelde termijn. Er bestond daarom ook geen aanleiding om appellante alsnog een nadere hersteltermijn te bieden. Dat het ontbrekende bankafschrift dateert van 14 april 2009 en daarmee valt in de periode dat appellante nog bijstand ingevolge de WWB ontving is evenmin een reden om af te wijken van de in 4.2 genoemde rechtspraak. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college destijds al kennis heeft genomen van dat bankafschrift.

4.4. De omstandigheid dat appellante het bewuste bankafschrift vervolgens later op die dag heeft ingeleverd is gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen niet relevant. Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat appellante het bankafschrift toen volledig heeft ingeleverd. De rechtbank heeft in navolging van het college vastgesteld dat de na het gesprek op 2 juli 2009 ingeleverde kopieën niet compleet waren, nu slechts twee van de vier pagina’s zijn overgelegd en daarop de bedragen niet te lezen zijn. Appellante heeft ter zitting van de rechtbank gezegd niet te weten of het afschrift compleet was. Eerst in de bezwaarprocedure is een volledig afschrift overgelegd van bankafschrift met volgnummer 4. Het college heeft hier terecht geen acht op geslagen. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2007, LJN AZ6561, brengt de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand, mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt.

4.5. Dat, zoals appellante stelt, het college aan de hand van de saldi van de overgelegde rekeningafschriften 3 en 5 zelf had kunnen vaststellen wat het begin- en eindsaldo was van rekeningafschrift nummer 4 leidt niet tot een ander oordeel. Immers op die wijze is slechts het saldo van de mutaties op die rekening te berekenen. Daarmee heeft het college nog geen volledig inzicht gekregen in alle mutaties op de betreffende rekening.

4.6. Anders dan appellante stelt heeft het college niet in strijd met de achterliggende gedachte van artikel 4:5 van de Awb gehandeld door reeds op dezelfde dag waarop de informatie behoorde te worden aangeleverd de aanvraag buiten behandeling te stellen. In de eerste plaats doet de situatie zoals die is omschreven in de door appellante aangehaalde passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling zich hier niet voor omdat appellante na de buiten behandeling stelling niet een nieuwe aanvraag heeft ingediend die wel volledig is, maar een nieuwe aanvraag die bij besluit van 13 april 2010 wederom met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld. In de tweede plaats is de aanvraag niet alleen buiten behandeling gesteld vanwege het niet tijdig aanleveren van bankafschrift nummer 4, maar ook vanwege het niet (voldoende) antwoord geven op de gestelde vragen die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand of de hoogte daarvan vast te stellen en omdat verdere communicatie met appellante niet meer mogelijk was aangezien zij het gesprek op 2 juli 2009 zelf heeft beëindigd en is weggelopen.

4.7. Het college was dan ook bevoegd om de aanvraag van 9 juni 2009 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling laten van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Noch in de door appellante overgelegde verklaring van psychiater J. Scholiers van 31 augustus 2009, waarin deze bevestigt dat appellante bij het Regionaal geestelijk gezondheidscentrum Zeeuws-Vlaanderen in begeleiding is, noch in de brief 15 maart 2010 van Scholiers aan mr. Verhaegen, zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellante ten gevolge van haar psychische klachten buiten staat was tijdig de gevraagde inlichtingen en bescheiden te verstrekken.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

HD