Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
10-4315 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand door een advocaat. Voor de kosten van rechtsbijstand dient de Wrb in beginsel te worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. Een aanvraag om toepassing van een schuldsaneringsregeling als bedoeld in de WSNP moet worden bestempeld als het treffen van een afbetalingsregeling in de zin van artikel 7 van het Brt. Dit betekent dat op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 7 van het Brt vergoeding van de kosten van een aanvraag voor schuldsanering op grond van de WSNP binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk is aangemerkt. Geen zeer dringende redenen. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie. Uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb vloeit niet voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een partij aangevoerde gronden afzonderlijk moet ingaan. Wel heeft de rechtbank in haar uitspraak de kern van de aangevoerde beroepsgronden adequaat samengevat en besproken, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8:77 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/169

Uitspraak

10/4315 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2010, 09/661 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 21 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in zaak 10/4314 WWB, plaatsgevonden op 10 juli 2012. Voor appellante is verschenen mr. Gans. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 24 juli 2008 een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in de kosten van rechtsbijstand door een advocaat tot een bedrag van € 399,84. De kosten hebben betrekking op het indienen van een aanvraag op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP).

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2009 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. De Raad voor Rechtsbijstand verleent op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) toevoegingen ten behoeve van rechtsbijstand. Appellante had kosteloos een beroep kunnen doen op het Bureau Rechtshulp (Juridisch Loket) of de Kredietbank Limburg (Kredietbank).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat bemiddeling door de Kredietbank niet kosteloos is, omdat schuldhulpverleningstrajecten via de Kredietbank door de gemeente Kerkrade worden gefinancierd. Verder heeft appellante aangevoerd dat de Wrb niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt, omdat voor een aanvraag op grond van de WSNP geen toevoeging wordt verleend. Vervolgens is aangevoerd dat de Kredietbank geen toereikende voorziening is, omdat een WSNP-aanvraag via de Kredietbank, anders dan wanneer juridische bijstand wordt verleend, problemen oplevert door gebrek aan deskundigheid en lange procedures.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 15 van de WWB is inkomensaanvulling op grond van de WWB niet aan de orde, indien binnen een voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 46).

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 10 augustus 2010, LJN BN3897) dient voor de kosten van rechtsbijstand de Wrb in beginsel te worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening.

4.3. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb bepaalt dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

4.4. Ingevolge artikel 7 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt) wordt voor rechtsbijstand ter zake van het treffen van een afbetalingsregeling, het aanvragen van het eigen faillissement of het kwijtschelden van een schuld geen toevoeging verleend. In de nota van toelichting bij artikel 7 van het Brt (blz. 7; Stb. 1994, 32) is opgenomen dat de in artikel 7 omschreven gevallen voor zich spreken. Het kan weliswaar gaan om ingewikkelde kwesties, maar voor de oplossing daarvan is een andere dan een juridische deskundigheid vereist.

4.5. Een aanvraag om toepassing van een schuldsaneringsregeling als bedoeld in de WSNP moet worden bestempeld als het treffen van een afbetalingsregeling in de zin van artikel 7 van het Brt. Dit betekent dat op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb en artikel 7 van het Brt vergoeding van de kosten van een aanvraag voor schuldsanering op grond van de WSNP binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk is aangemerkt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gemeenten - en namens hen de gemeentelijke of op grond van een gemeenschappelijke regeling opgerichte kredietbanken - bij het doen van een aanvraag voor schuldsanering op grond van de WSNP hulp dienen te verlenen.

4.6. Gelet op het voorgaande was het college niet bevoegd om bijzondere bijstand te verlenen voor de door appellante gemaakte kosten van rechtsbijstand. In wat appellante heeft aangevoerd worden geen zeer dringende redenen gezien als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB die voor het dagelijks bestuur aanleiding hadden moeten zijn om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB wel bijstand voor deze kosten te verlenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie.

4.7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, behoeft de grond over de financiering van de Kredietbank geen bespreking.

4.8. Appellante heeft ter zitting nog aangevoerd dat de rechtbank in de ook bij de rechtbank gevoegd behandelde zaken in strijd met artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een gelijkluidende uitspraak heeft gedaan, hoewel in beide zaken afzonderlijk gronden zijn aangevoerd. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 januari 2008, LJN BC3135) vloeit uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een partij aangevoerde gronden afzonderlijk moet ingaan. Wel heeft de rechtbank in haar uitspraak de kern van de aangevoerde beroepsgronden adequaat samengevat en besproken, zodat geen sprake is van strijd met artikel 8:77 van de Awb.

4.9. Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.H. Bel en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

HD