Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
10-6529 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling aflossingsbedrag geldlening voor de kosten van de schulden aan Nuon. Geen schriftelijke aanvraag. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van appellante een schriftelijke aanvraag onmogelijk was. De enkele omstandigheid dat appellante was afgesloten van gas en elektriciteit en dat zij het koud had betekent niet dat de situatie zó spoedeisend was dat een schriftelijke aanvraag niet kon worden afgewacht, ook niet indien daarbij de gevorderde leeftijd van appellante in ogenschouw wordt genomen. Het college had appellante, die er tijdens een telefoongesprek blijk van gaf uitstekend haar wil kenbaar te kunnen maken, kunnen uitnodigen op het kantoor van de sociale dienst om haar in staat te stellen een schriftelijke aanvraag voor de kosten van schulden aan Nuon in te dienen. Het college heeft daar om hem moverende reden van afgezien. Dit betekent dat het college appellante ten onrechte bijzondere bijstand heeft toegekend in de vorm van een geldlening voor de kosten van de Nuon-schuld. Dat het college appellante ten onrechte bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening heeft toegekend, betekent dat aan de terugvordering van de kosten van de in de vorm van een geldlening verstrekte bijzondere bijstand wegens het niet nakomen van de aan de geldlening verbonden aflossingsverplichtingen de grondslag is komen te ontvallen. Schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 43.1, geldigheid: 2012-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/267
JWWB 2012/165
RSV 2012/257

Uitspraak

10/6529 WWB, 11/3305 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 11 november 2010, 10/2702 (aangevallen uitspraak 1) en van 21 april 2011, 10/5593 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 21 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar en C.P.A. [R.], medegemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkus-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In mei 2009 heeft Nuon appellante in verband met het niet betalen van schulden afgesloten van gas en elektra.

1.2. Na een telefoontje van appellante op 15 december 2009 heeft het college bij besluit van 23 december 2009 aan appellante bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening voor de kosten van de schulden aan Nuon. Het college heeft appellante daarbij de verplichting opgelegd dat zij meewerkt aan schuldhulpverlening. Voorts heeft het college het aflossingsbedrag bepaald op € 60,- per maand. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 april 2010 (bestreden besluit 1), met dien verstande dat het bedrag van de geldlening is bepaald op € 1.512,98 en dat het college afziet van oplegging van de verplichting om mee te werken aan schuldhulpverlening. Het college heeft aanleiding gezien aan appellante de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden tot een bedrag van € 874,--.

1.3. Bij brief van 28 mei 2010 heeft het college appellante meegedeeld dat zij een achterstand in de betaalverplichting heeft en haar tot betaling aangemaand. Appellante heeft het college vervolgens verzocht van verdere invordering af te zien. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de kosten van leenbijstand tot een bedrag van € 1.512,98 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet aan de uit de geldlening voortvloeiende aflossingsverplichtingen voldoet. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van aangevallen uitspraak 1

4.1. Appellante heeft, zoals ook al eerder in de procedure naar voren was gebracht, nadrukkelijk betoogd dat zij geen aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van schulden aan de Nuon heeft ingediend. Zij heeft op 15 december 2009 de gemeente enkel telefonisch benaderd met het verzoek om een oplossing te bieden voor het probleem dat zij kou leed omdat Nuon haar woning van gas en elektra had afgesloten. Volgens appellante heeft het college jegens haar onverantwoord gehandeld met als gevolg dat zij gedurende een half jaar in twee huizen heeft moeten wonen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot schulden bij de Nuon en de afsluiting van gas en elektra door de Nuon. Zij stelt in het telefoongesprek direct duidelijk gemaakt te hebben dat zij geen bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wenste en ook niet in de schuldhulpverlening terecht wilde komen.

4.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 69) is het mogelijk dat het college het recht op bijstand ambtshalve vaststelt, bijvoorbeeld met het oog op spoedgevallen waarin de wil van de belanghebbende niet kenbaar kan worden gemaakt.

4.3. Ter zitting heeft het college gewezen op de schriftelijke aanvraag van appellante om bijzondere bijstand van 10 september 2008 en op het feit dat appellante daarbij ook een schuld aan Nuon heeft vermeld. Bij besluit van 16 januari 2009 heeft het college hierover echter niet beslist. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 september 2009 geoordeeld dat het college de aanvraag van 10 september 2008 aldus had moeten opvatten dat tevens bijzondere bijstand werd gevraagd voor de uit de verhuizing voortvloeiende dubbele energiekosten en dat het college daarover alsnog een besluit zal dienen te nemen. Het college heeft ter uitvoering van die uitspraak een besluit genomen van 23 december 2009 waarin, voor zover thans van belang, aan appellante € 398,98 bijzondere bijstand is toegekend voor dubbele energielasten van

20 augustus 2008 tot en met februari 2009. Uit de gedingstukken blijkt dat het bij bestreden besluit 1 toegekende bedrag betrekking heeft op een Nuon-schuld over een andere periode.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante voor deze laatste schuld geen schriftelijke aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Op het aanvraagformulier van 15 december 2009 is vermeld dat het ambtshalve is ondertekend. Mede gelet op de toelichting van het college ter zitting houdt de Raad het er voor dat het college naar aanleiding van het onder 1.2 vermelde telefoontje het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de hier aan de orde zijnde schulden van appellante aan Nuon ambtshalve heeft vastgesteld.

4.5. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van appellante een schriftelijke aanvraag onmogelijk was. De enkele omstandigheid dat appellante was afgesloten van gas en elektriciteit en dat zij het koud had betekent niet dat de situatie zó spoedeisend was dat een schriftelijke aanvraag niet kon worden afgewacht, ook niet indien daarbij de gevorderde leeftijd van appellante in ogenschouw wordt genomen. Het college had appellante, die er tijdens het telefoongesprek van 15 december 2009 blijk van gaf uitstekend haar wil kenbaar te kunnen maken, kunnen uitnodigen op het kantoor van de sociale dienst om haar in staat te stellen een schriftelijke aanvraag voor de kosten van schulden aan Nuon in te dienen. Het college heeft daar om hem moverende reden van afgezien.

4.6. Dit betekent dat het college appellante ten onrechte bij besluit van 23 december 2009 bijzondere bijstand heeft toegekend in de vorm van een geldlening voor de kosten van de Nuon-schuld. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 43 van de WWB vernietigen. Nu het gebrek dat aan het besluit van 23 december 2009 kleeft, door de gewijzigde omstandigheden en het tijdsverloop niet zal kunnen worden hersteld, bestaat tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 23 december 2009 te herroepen.

Ten aanzien van aangevallen uitspraak 2

5.1. Uitgangspunt bij de beoordeling van aangevallen uitspraak 2 is dat het college appellante ten onrechte bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening heeft toegekend. Dat betekent dat aan de terugvordering van de kosten van de in de vorm van een geldlening verstrekte bijzondere bijstand wegens het niet nakomen van de aan de geldlening verbonden aflossingsverplichtingen de grondslag is komen te ontvallen.

5.2. De rechtbank heeft dat niet onderkend zodat aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit 2 vernietigen. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 9 juni 2010 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb te herroepen. De WWB biedt in het geval van appellante immers geen grondslag om de kosten van de aan appellante als geldlening toegekende bijzondere bijstand van haar terug te vorderen. Van betekenis is dat appellante geen schriftelijke aanvraag om bijzondere bijstand heeft gedaan en het college de aan appellante ambtshalve en in de vorm van een geldlening toegekende bijzondere bijstand niet aan appellante zelf heeft uitbetaald, maar deze bijstand aan een derde heeft uitbetaald, zonder dat appellante het college daartoe had gemachtigd.

Vergoeding van schade

6. Appellante heeft ter zitting verzocht om vergoeding van de schade die zij door de besluitvorming heeft geleden.

6.1. Gelet op het onder 4.6 en 5.1 en 5.2 weergegeven oordeel over de bestreden besluiten 1 en 2 en de besluiten van 23 december 2009 en 9 juni 2010 moet worden vastgesteld dat deze besluiten onrechtmatig zijn. Voor de beantwoording van de vraag of daardoor recht bestaat op vergoeding van schade dient volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 januari 2011, LJN BP2317) zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

6.2. Appellante stelt, zo begrijpt de Raad, in de eerste plaats dat zij materiële schade heeft geleden door gemis aan inkomen als gevolg van het beslag dat is gelegd op haar ouderdomspensioen ingevolge de AOW ter uitvoering van het besluit van 9 juni 2010. Voor zover het college als gevolg van het onrechtmatige besluit van 9 juni 2010 ten onrechte tot invordering is overgegaan komt het verzoek van appellante om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking. Het college zal appellante op de al terugbetaalde bedragen de wettelijke rente moeten vergoeden. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag van de onrechtmatige inhouding op het ouderdomspensioen, tot aan de dag der algehele voldoening van de onrechtmatig ingehouden bedragen. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente (vergelijk CRvB 25 januari 2012,

LJN BV1958).

6.3. Voor het overige stuit inwilliging van het verzoek van appellante af op de omstandigheid dat zij op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden, anders dan het gemis van wettelijke rente op de ten onrechte aan het college terugbetaalde gelden.

Kosten

7. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van de door appellante gevoerde procedures. Deze worden begroot op € 874,-- in bezwaar (één punt voor het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting in de zaak over de terugvordering), op € 1.748,-- in beroep (één punt voor elk van beide beroepschriften en één punt voor het verschijnen ter zitting in elk van beide zaken) en op € 1.311,-- in hoger beroep (één punt voor elk van beide hoger beroepschriften en één punt voor de zitting), voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.933,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 april 2010;

- herroept het besluit van 23 december 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 april 2010;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 september 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 8 september 2010;

- herroept het besluit van 9 juni 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 september 2010;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van wettelijke rente als onder 6.2

omschreven;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade voor het overige af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.933--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 152,-- (zaak 10/6529) en € 153,-- (zaak 11/3305) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P.J.M. Crombach

NK