Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
10/1852 WWB + 10/1853 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Voor appellanten moet het redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de maandelijkse heffingskorting van de minstverdienende partner van invloed kan zijn op het recht van bijstand. Op appellanten rust dan ook de plicht het college daarvan onverwijld op de hoogte te brengen. Niet aannemelijk is dat dit is gebeurd. De rechtbank heeft het college dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat de inlichtingenverplichting is geschonden. De gedingstukken bieden geen grond voor het oordeel dat deze gedraging appellanten niet zou kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat het college gehouden was de bijstand van appellanten overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen. De Raad stelt vast dat de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de Afstemmingsverordening. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellanten of de mate van verwijtbaarheid het college aanleiding hadden moeten geven de vastgestelde verlaging te matigen. Dat in de verordening standaardmaatregelen zijn opgenomen voor gedragingen van een bepaalde categorie gaat op zichzelf genomen de grenzen van redelijke wetgeving niet te buiten. Dit wordt niet anders wanneer, zoals in dit geval, de standaardmaatregel zelf afhankelijk is gesteld van de hoogte van het benadelingsbedrag, waarbij deze bedragen in bredere categorieën zijn ingedeeld.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17, geldigheid: 2012-08-14
Participatiewet 18, geldigheid: 2012-08-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/266

Uitspraak

10/1852 WWB, 10/1853 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 februari 2010, 09/217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 14 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Voor appellanten is mr. Bovenkamp verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.H. Theunissen en L.B.W. Heuts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 14 augustus 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2008 verlaagd met 10% gedurende een maand. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet tijdig melding te maken van het ontvangen van de maandelijkse heffingskorting van de minstverdienende partner.

1.3. Bij besluit van 6 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 9 juni 2008 - voor zover betrekking hebbend op de maatregel - ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij bestrijden dat zij de heffingskorting van de minstverdienende partner niet tijdig hebben gemeld. Na ontvangst in januari 2008 hebben zij de beschikking van de belastingdienst van 15 januari 2008, waarbij de korting is vastgesteld, in kopie bij de sociale dienst ingeleverd. Appellanten kunnen dit niet bewijzen omdat de sociale dienst geen kwitantie of ontvangstbewijs verstrekt. Aangezien de bewijsnood wordt veroorzaakt door de dienst is het aan deze om te bewijzen dat de kopie van de beschikking niet is ingeleverd. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de opgelegde maatregel niet is afgestemd op de ernst van de gedraging. Door de Afstemmingsverordening 2007 (Afstemmingsverordening) onverkort toe te passen en geen rekening te houden met het geringe benadelingsbedrag van € 20,81 heeft het college het criterium ernst van de gedraging te categorisch gehanteerd en daardoor in strijd gehandeld met het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. Aangezien de Afstemmingsverordening een en dezelfde maatregel voorschrijft voor de zeer ruime categorie van benadelingsbedragen tussen € 1,-- en € 1.000,-- zonder een verdere nuancering te maken, gaan de betreffende artikelen de grenzen van de redelijkheid te buiten en missen zij verbindende kracht wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Voor appellanten moet het redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de maandelijkse heffingskorting van de minstverdienende partner van invloed kan zijn op het recht van bijstand. Op appellanten rust dan ook de plicht het college daarvan onverwijld op de hoogte te brengen. Niet aannemelijk is dat dit is gebeurd. Uit de stukken blijkt dat de sociale dienst niet eerder dan 25 maart 2008 de beschikking van de belastingdienst van 15 januari 2008 in kopie heeft ontvangen. Op appellanten rust de last om aannemelijk te maken dat zij de beschikking wel onverwijld, dat wil zeggen direct na ontvangst van de belastingdienst medio januari 2008, bij de sociale dienst hebben afgegeven. Appellanten zijn daar niet in geslaagd. De rechtbank heeft het college dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat de inlichtingenverplichting is geschonden. De stelling van appellanten dat in dit geval de bewijslast moet worden omgekeerd, omdat de sociale dienst bij inlevering van stukken geen ontvangstbevestiging meer verstrekt, volgt de Raad niet.

4.3. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening.

4.5. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, van de WWB is voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer in dat artikellid bedoelde verplichtingen. Gelet op hetgeen hierboven onder 4.2 is overwogen staat vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. De gedingstukken bieden geen grond voor het oordeel dat deze gedraging appellanten niet zou kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellanten overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen.

4.6. In de artikelen 9 en 10 van de Afstemmingsverordening worden de gedragingen ten aanzien waarvan de bijstand wordt verlaagd onderscheiden in categorieën en wordt de omvang van de verlaging nader bepaald.

4.6. Het gaat hier om een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening wordt in dat geval de bijstand verlaagd met 10% gedurende een maand. De Raad stelt vast dat de opgelegde verlaging daarmee in overeenstemming is. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellanten of de mate van verwijtbaarheid het college aanleiding hadden moeten geven de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in combinatie met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Anders dan appellanten betogen is de door het college opgelegde maatregel in overeenstemming met de ernst van de gedraging nu het toepassing heeft gegeven aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, en het benadelingsbedrag aanmerkelijk hoger is dan het door appellanten berekende terugvorderingsbedrag van € 20,81. Het benadelingsbedrag bedraagt ongeveer € 87,-- zijnde € 21,83 per maand gedurende een periode van vier maanden (januari, februari, maart en april 2008). Gegeven deze omvang van de benadeling is een maatregel van ongeveer € 120,-- niet onevenredig of disproportioneel.

4.7. Dat in de verordening standaardmaatregelen zijn opgenomen voor gedragingen van een bepaalde categorie gaat op zichzelf genomen de grenzen van redelijke wetgeving niet te buiten. Dit wordt niet anders wanneer, zoals in dit geval, de standaardmaatregel zelf afhankelijk is gesteld van de hoogte van het benadelingsbedrag, waarbij deze bedragen in bredere categorieën zijn ingedeeld. Dat aan alle benadelingsbedragen tussen € 0,-- en € 1.000,-- op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, dezelfde maatregel is gekoppeld, brengt, anders dan appellanten betogen, niet met zich mee dat dit onderdeel van de Afstemmingsverordening buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb. De artikelen 9 en 10 van de Afstemmingsverordening dienen namelijk in combinatie met artikel 2 van de Afstemmingsverordening te worden begrepen. Artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening geeft het college de bevoegdheid om het gewenste maatwerk te leveren door te bepalen dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.M. Tason Avila

HD