Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX5010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
11/4159 WSF + 11/4669 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging studiebeurs naar een beurs voor thuiswonenden. Verrekening teveel aan toelage ontvangen bedrag. Heeft een studerende zijn adresgegevens na 1 januari 2010 opgegeven aan de GBA, dan kan appellant niet rechtmatig gebruik maken van de in artikel 1.5, tweede lid, van de Wsf 2000 gelegen bevoegdheid tot omzetting van de beurs voor een uitwonende studerende in een beurs voor een thuiswonende studerende, op de grond dat een adresafwijking is geconstateerd die niet ongedaan is gemaakt binnen de voorgeschreven tijd. Dat betrokkene een onjuist adres heeft opgegeven bij de GBA doet in dit verband niet ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4159 WSF, 11/4669 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2011, 11/222 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 17 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nieuw besluit ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals die bepaling luidde ten tijde in dit geding van belang, bepaalt dat indien bij controle door de Minister blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven, de Minister dit aan hem bekend maakt en hem in de gelegenheid stelt de afwijking te herstellen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen vier weken na de bekendmaking herstelt, de aan hem toegekende beurs wordt omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt, indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van vier weken alsnog herstelt, met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gegrond verklaard het beroep van betrokkene tegen appellants besluit van 14 januari 2011 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen een besluit van 11 september 2010 over de toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 ongegrond is verklaard. In laatst vermeld besluit heeft appellant betrokkenes studiebeurs voor uitwonenden ingaande juni 2010 verlaagd naar een beurs voor thuiswonenden. Voorts is daarbij beslist dat een daardoor teveel aan toelage ontvangen bedrag van € 571,62 maandelijks wordt verrekend.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van belang het GBA-adres afweek van het bij appellant bekende adres, omdat bij appellant het adres [straatnaam 1] 40 [plaatsnaam 1] bekend was en betrokkene bij de GBA als haar adres [straatnaam 1] 42 [plaatsnaam 1] had opgegeven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant betrokkene heeft gewaarschuwd dat de studiefinanciering wordt omgezet in studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende, indien zij de gebleken afwijking niet binnen vier weken alsnog ongedaan maakt. Betrokkene heeft niet binnen de in deze brief gestelde termijn van vier weken ervoor gezorgd dat het GBA-adres en het bij appellant bekende woonadres met elkaar in overeenstemming waren.

2.2. De rechtbank is echter van oordeel dat betrokkene in redelijkheid niet kan worden verweten dat zij de afwijking bestaande uit het verschil in huisnummers [straatnaam 1] 40 en 42 [plaatsnaam 1] niet ongedaan heeft gemaakt. Betrokkene had bij vergissing [straatnaam 1] 42 bij de GBA van [plaatsnaam 1] als haar nieuwe adres opgegeven. Van deze afwijking was betrokkene door appellant niet op de hoogte gebracht. Daarbij komt dat de afwijking als hier in geding, gelet op het feit dat bij appellant wel het juiste huisnummer bekend was waardoor de waarschuwingsbrief naar het juiste adres is gestuurd, niet onmiddellijk in het oog springend was. Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat betrokkene na telefonische navraag van appellant te horen heeft gekregen dat inmiddels verwerkt was dat betrokkene bij de GBA staat ingeschreven op het adres [straatnaam 1]. De afwijking waarvan zij wel door appellant op de hoogte is gebracht - die tussen haar oude adres aan de [adres] [plaatsnaam 2] en de [straatnaam 1] 40 [plaatsnaam 1] - bestond ten tijde van het versturen van de waarschuwingsbrief al ruim een maand niet meer.

3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene van de adresafwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Betrokkene is op 7 juni 2010 in de GBA ingeschreven op het adres [straatnaam 1] 42 te [plaatsnaam 1], conform haar aangifte bij de GBA. Van meet af aan was zij er dan ook van op de hoogte dat zij op dat adres zou worden ingeschreven. Ze had dit adres meteen of na de ontvangst van de waarschuwingsbrief aan appellant moeten opgeven. Aan de verwijtbaarheid van betrokkene doet niet af dat de waarschuwingsbrief als oud adres vermeldt [adres] [plaatsnaam 2]. Dat dit adres is vermeld komt doordat op waarschuwingsbrieven het adres wordt vermeld dat is geconstateerd op het peilmoment 1 juni 2010.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant een nieuw besluit genomen, gedateerd 3 augustus 2011, waarbij de omzetting over de periode van juni tot en met september 2010 ongedaan is gemaakt.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Uit de uitspraak van de Raad van 16 juli 2012, LJN BX0964, blijkt dat appellant volgens artikel 3b, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA), zoals die wet luidt per 1 april 2007, indien hij bij de vervulling van zijn taak over een adresgegeven dient te beschikken, het gegeven dient te gebruiken dat beschikbaar is in de basisadministratie. Volgens artikel 3c van de Wet GBA, zoals die wet luidt per 1 april 2007, behoeft een ingeschrevene, zoals betrokkene, aan wie door een afnemer, zoals appellant, een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 3b, eerste lid, van toepassing is, dat gegeven niet mee te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene. De uitzonderingen, opgenomen in artikel 3b, tweede lid van die wet, doen zich niet voor met betrekking tot een situatie als de onderhavige, waarin een studerende die in het genot is van studiefinanciering een adreswijziging opgeeft bij de GBA. Deze bepalingen zijn van toepassing op adresgegevens die na 1 januari 2010 aan de GBA zijn opgegeven. Met ingang van deze datum is door de vermelde wijzigingen in de Wet GBA verplichting van de betrokken studerende, vervat in artikel 9.2 van de Wsf 2000, om een adreswijziging ook aan appellant op te geven komen te vervallen.

5.2. Heeft een studerende zijn adresgegevens na 1 januari 2010 opgegeven aan de GBA, dan kan, zo blijkt ook uit de in 5.1 vermelde uitspraak, appellant niet rechtmatig gebruik maken van de in artikel 1.5, tweede lid, van de Wsf 2000 gelegen bevoegdheid tot omzetting van de beurs voor een uitwonende studerende in een beurs voor een thuiswonende studerende, op de grond dat een adresafwijking is geconstateerd die niet ongedaan is gemaakt binnen de voorgeschreven tijd. Dat betrokkene een onjuist adres heeft opgegeven bij de GBA doet in dit verband niet ter zake.

5.3. De aangevallen uitspraak komt - zij het op andere gronden - voor bevestiging in aanmerking.

6. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een recht van € 454,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

HD