Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
11-6119 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugbetaling schuld. Opschorting aflossingsfase. De Minister hanteert een juiste uitleg van artikel 10a.11, tweede lid, van de Wsf 2000. Op het moment dat de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en op eigen verzoek geen rekening wordt gehouden met het inkomen van een partner wordt de aflosfase opgeschort en gaat deze pas weer lopen op het moment dat de debiteur (weer) gaat aflossen. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat met deze toepassing sprake is van verboden ongelijke behandeling van debiteuren met verschillende samenlevingsvormen. In zoverre is er evenmin strijd met het EVRM. De beroepsgrond van appellante dat de aflosfase op grond van burgerrechterlijke bepalingen niet langer mag duren dan 20 jaar slaagt ook niet. Zoals in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld bevat de Wsf 2000 een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellante kan aan het voorbeeld in de brochure niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar aflosfase per 31 december 2009 zou eindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/251

Uitspraak

11/6119 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2011, 10/591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 10 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.B. de Kleuver hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kleuver. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. De enkelvoudige kamer heeft besloten de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van het geding ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. Bij het Bericht Terugbetalen 2010 van 6 januari 2010, is door de Minister een overzicht verstrekt van appellantes schuld op 1 januari 2010. De totale schuld bedraagt € 8.968,26 en zij moet vanaf 1 januari 2010 per maand € 16,46 betalen.

2.2. Het bezwaar tegen dit besluit is door de Minister bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Het besluit van 24 maart 2010 is door de Minister bij bestreden besluit van 7 maart 2011 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2010 is ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat uit het wettelijke kader volgt dat voor ieder jaar dat geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur (appellante) de aflosfase verlengd wordt met een jaar. Derhalve is de aflosfase van appellante niet beëindigd per 1 januari 2010 en heeft de Minister terecht een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld per 1 januari 2010. Daarnaast kan appellante aan de brochure van de Minister uit 2001, niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat haar aflosfase op 31 december 2009 afliep.

3.2. Ten aanzien van het beroep op de verjaringstermijn ingevolge het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de rechtbank overwogen dat de verjaringsbepaling uit het BW niet aan de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in de weg kan staan. De Wsf 2000 heeft een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. Tevens is niet gebleken dat de regeling in de Wsf 2000 in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1. In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden herhaald. Zij is het niet eens met wat zij beschouwt als de oneindige verlenging van de aflosfase. Het is niet aannemelijk dat zij, gelet op haar leeftijd en beroep, plotseling meer gaat verdienen dan haar huidige salaris. Zij kan slechts de rente aflossen waardoor de schuld min of meer hetzelfde zal blijven tot aan haar dood, tenzij haar partner de schuld aflost. Dit gaat hij niet doen, de reden waarom zij onder huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Haar enige optie is dus te gaan scheiden. Maar dan resteert nog steeds een aflosfase van vier jaar, waardoor zij veel langer dan 15 jaar heeft afgelost. Er is dus geen sprake van gelijke behandeling van debiteuren.

4.2. De informatie in de brochure van de Minister uit 2001, Studiefinanciering: aflossingsproblemen, pagina 9, paragraaf 3.4, is volgens appellante misleidend. Hierin wordt vermeld:

“U kunt het inkomen van uw partner buiten beschouwing laten, maar dan bent u niet meer automatisch binnen 15 jaar na de start van de aflosfase van uw schuld af. Het aantal maanden dat u bij de draagkrachtmeting het inkomen van de partner buiten beschouwing laat, moet bij die 15 jaar worden opgeteld. (…) Bijvoorbeeld: U betaalt door de draagkrachtmeting een lager bedrag terug. Daarom hebt u na 15 jaar (na de start van de aflosfase) uw schuld nog niet afbetaald. U hebt wel een partner met inkomen, maar dat inkomen hebt u twee jaar lang buiten beschouwing gelaten. U bent nu niet na 15 jaar, maar pas na 17 jaar van uw schuld af.”

De aflosfase voor appellante is gestart op 1 januari 1991. Zij is op 1 februari 2002, vier jaar voordat de standaard aflosfase van 15 jaar voorbij was, getrouwd en heeft de Minister verzocht om het inkomen van haar partner bij de aflossing van de schuld buiten beschouwing te laten. Volgens appellante volgt uit de brochure dat de aflosfase moet worden verlengd met vier jaar en eindigt per 31 december 2009.

4.3. Daarnaast stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het afhankelijk stellen van de aflosperiode aan het al dan niet hebben van een partner - die niet bereid is zijn inkomen in de aflossing te betrekken - niet in strijd is met het EVRM. Tevens verzoekt appellante om de verjaring ingevolge artikel 3:306 van het BW van 20 jaar te erkennen en voor recht te verklaren dat de vordering door verjaring is vervallen. De rechtbank geeft onvoldoende aan waarom de Wsf 2000 boven het bepaalde in het BW gaat. Bovendien vindt appellante een periode van 20 jaar dermate lang dat aan het verstrijken ervan zij het vertrouwen mag ontlenen dat de vordering niet meer opeisbaar is.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Tussen partijen is met name in geschil op welke wijze de tekst van het in Hoofdstuk 10A opgenomen artikel 10a.11, tweede lid, van de Wsf 2000 moet worden uitgelegd. Kort samengevat stelt appellante zich op het standpunt dat uit dit artikelonderdeel volgt dat de aflosfase na 15 jaar eindigt ook indien die fase is opgeschort. De Minister stelt zich op het standpunt dat de aflosfase niet na 15 jaar eindigt indien de aflosfase is opgeschort. Eerst nadat de opschorting is beëindigd en in totaal 15 jaar aan de verplichting als bedoeld in Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 is voldaan, eindigt naar zijn mening de aflosfase.

5.2.1. Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 is per 1 januari 2010 in werking getreden en regelt de opbouw en terugbetaling van studieschuld van “oude” debiteuren die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen. Deze bepalingen stonden daarvoor in Hoofdstuk 6 opgenomen en zijn qua strekking gelijk gebleven. De duur van de aflosfase is bepaald in artikel 10a.4 van de Wsf 2000 en beslaat in de regel 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Dit wil zeggen dat het terug te betalen bedrag per periode, in beginsel een maand, wordt vastgesteld als annuïteit op basis van 15 jaar, dan wel het aantal nog in de aflosfase resterende jaren.

Artikel 10a.10 van de Wsf 2000 bepaalt dat indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, de draagkracht van de partner wordt aangewend voor het resterende gedeelte.

5.2.2. De duur van de aflosfase als bepaald in artikel 10a.4 van de Wsf 2000 wordt verlengd indien artikel 10a.11, tweede lid van de Wsf 2000, van toepassing is. De tekst van dit artikel luidt: “Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar”.

5.2.3. Uit de tekst van artikel 10a.11, tweede lid van de Wsf 2000 in samenhang met hetgeen overigens is bepaald in Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 volgt dat - op het moment dat de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en op eigen verzoek geen rekening wordt gehouden met het inkomen van een partner - de aflosfase wordt opgeschort en pas weer gaat lopen op het moment dat de debiteur overeenkomstig de bepalingen in Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 (weer) gaat aflossen.

5.2.4. Dat de aflosfase wordt opgeschort en dan niet beeindigt volgt ook uit de wetsgeschiedenis van artikel 10a.11, tweede lid van de Wsf 2000. Voor 1 januari 2010 was de opschorting van de aflosfase geregeld in artikel 6.15, tweede lid van de Wsf 2000 en voor 1 januari 2000 in artikel 47 van de Wet op de Studiefinanciering (WSF). De tekst is steeds ongewijzigd gebleven. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 47 van de WSF, Kamerstukken II 1984-1985, 19 125, nr. 3, blz. 24, is vermeld:

“Het is voorstelbaar dat in gevallen dat de debiteur geen of een gering inkomen dan wel vermogen heeft, terwijl diens partner een redelijk of goed inkomen dan wel vermogen heeft, niet ingestemd wordt met verhaal op de partner. Het voert echter te ver te berusten dat de studieschuld niet of slechts ten dele wordt terugbetaald binnen de in de Hoofdlijnennota aangegeven termijn van 15 jaar, waarna de nog resterende studieschuld van rechtswege teniet gaat. Daarom is in de wet de clausule opgenomen dat de hiervoor genoemde termijn van 15 jaar telkens wordt verlengd met het aantal jaren dat geen rekening werd gehouden met de draagkracht van de partner.”

Daarnaast volgt uit de Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1985-1986, 19 125, nr. 6, p. 6, dat de regering het niet billijk en rechtvaardig heeft geacht om deze periode in de tijd te beperken. In artikel 10a.4 van de Wsf 2000 is dan ook in tijdsduur geen maximum aan de aflosfase verbonden.

5.2.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 volgt dat de door de Minister gegeven uitleg van artikel 10a.11, tweede lid, van de Wsf 2000 juist is. De gronden van hoger beroep van appellante die steunen op haar onjuiste opvatting over de uitleg van voormeld artikelonderdeel treffen mitsdien geen doel.

5.3. Uit 5.2 volgt dat als appellante gedurende in het totaal 15 jaren aan de verplichtingen bedoeld in Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 heeft voldaan, de aflosfase eindigt. Dit geldt voor elke debiteur, welke samenlevingsvorm deze ook heeft. De Raad volgt appellante dan ook niet in haar standpunt dat met deze toepassing sprake is van verboden ongelijke behandeling van debiteuren met verschillende samenlevingsvormen. In zoverre is er evenmin strijd met het EVRM. Het feit dat appellante zich benadeeld voelt omdat haar partner niet wenst bij te dragen aan de aflossing van haar schuld, maakt dat niet anders.

5.4. De beroepsgrond van appellante dat de aflosfase op grond van burgerrechterlijke bepalingen niet langer mag duren dan 20 jaar slaagt ook niet. Zoals in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld bevat de Wsf 2000 een eigen regeling voor de duur van de aflosfase. De vaststelling van de lengte van de aflosfase bepaalt in het geval van appellante in welke periode zij haar terugbetalingsverplichtingen jegens de Minister moet hebben voltooid. De verjaringsbepalingen waarop appellante zich beroept zien op een situatie dat een rechtsvordering door een bepaald tijdsverloop niet meer ingesteld kan worden.

5.5. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De Raad verwijst naar rechtsoverweging 2.4.5 van de aangevallen uitspraak. Het door appellante aangehaalde voorbeeld in de brochure is juist, maar betreft een andere situatie dan die waarin appellante verkeert. In dat voorbeeld valt de toepassing van artikel 10a.11 van de Wsf 2000 in het midden van de aflosfase. De aflosfase wordt opgeschort en gaat weer lopen op het moment dat rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner. Nadat gedurende 15 jaar overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk 10A van de Wsf 2000 is afgelost, eindigt de aflosfase. Appellante kan aan het voorbeeld in deze brochure dan ook niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar aflosfase per 31 december 2009 zou eindigen.

5.6. In navolging van de rechtbank en met aanvulling van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, is de Raad van oordeel dat bij het bestreden besluit terecht is vastgesteld dat appellante vanaf 1 januari 2010 maandelijks een bedrag van € 16,46 moet betalen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, wordt bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

EV