Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
10-3278 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering. Vaststaat dat appellante recht heeft op een Wajong-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaruit volgt dat de voorschotten die appellante in de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 heeft ontvangen tot een te hoog bedrag aan haar zijn betaald. Het Uwv is verplicht de te veel betaalde voorschotten terug te vorderen. Niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Het Uwv heeft het gewijzigde terugvorderingsbedrag na de tussenuitspraak (LJN BW4699) alsnog van een toereikende onderbouwing voorzien. Appellante heeft de onderbouwing van dit bedrag niet betwist. Er is geen reden om aan de juistheid ervan te twijfelen. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit, stelt het bedrag van de terugvordering vast en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3278 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2010, 09/1542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

Bij tussenuitspraak van 2 mei 2012 heeft de Raad het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen bij de tussenuitspraak is overwogen.

Bij brief van 10 mei 2012 heeft het Uwv een nadere onderbouwing van het bestreden besluit gegeven.

Nader onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 februari 2011 is per 30 oktober 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid (hoger) vastgesteld op 45 tot 55%.

1.2. In de tussenuitspraak is overwogen dat uit het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 21 februari 2011 volgt dat het over de periode in geding (1 mei 2008 tot 1 maart 2009) teruggevorderde bedrag - achteraf bezien - slechts gedeeltelijk onverschuldigd is betaald. Geconcludeerd is dat het besluit van 24 juli 2009, waarbij het primaire terugvorderingsbesluit van 18 maart 2009 is gehandhaafd, geen stand houdt, dat de aangevallen uitspraak en - wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het besluit van 24 juli 2009 voor vernietiging in aanmerking komen en het beroep tegen dit besluit gegrond dient te worden verklaard. Daarbij is overwogen dat de Raad over onvoldoende gegevens beschikt om vast te stellen welk gedeelte van de terugvordering - rekening houdend met de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% - onverschuldigd is betaald.

1.3. Bij de brief van 10 mei 2012 heeft het Uwv gesteld dat een bedrag van € 423,37 op het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag in mindering moet worden gebracht. Het bedrag van € 423,37 betreft de nabetaling over de periode van 30 oktober 2008 tot 1 maart 2009. De terugvordering over de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 bedraagt € 8.188,21.

2. In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat het Uwv in redelijkheid niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Voorts is gesteld dat sprake is van dringende redenen, die zijn gelegen in de financieel en sociaal onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. Appellante heeft in de periode in geding geen ander inkomen ontvangen. Zij lost per maand € 54,39 af en komt door de terugbetaling onder het sociaal minimum.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Vaststaat dat appellante met ingang van 30 oktober 2008 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaruit volgt dat de voorschotten die appellante in de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 heeft ontvangen tot een te hoog bedrag aan haar zijn betaald. Ingevolge artikel 55, eerste lid, in verbinding met artikel 47, tweede lid, van de Wajong is het Uwv verplicht de te veel betaalde voorschotten terug te vorderen.

3.2. Niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Wajong. Dat de terugvordering een aanzienlijke financiële last betekent voor appellante is onvoldoende om dringende redenen aanwezig te achten. Niet aannemelijk is dat de financiële en sociale gevolgen van de terugvordering onaanvaardbaar zijn. Bij het treffen van een betalingsregeling met het Uwv wordt rekening gehouden met de draagkracht van appellante en de voor haar geldende beslagvrije voet.

3.3. Het Uwv heeft het gewijzigde terugvorderingsbedrag na de tussenuitspraak alsnog van een toereikende onderbouwing voorzien. Appellante heeft de onderbouwing van dit bedrag niet betwist. Er is geen reden om aan de juistheid ervan te twijfelen.

4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.3 volgt dat aanleiding bestaat het (primaire) besluit van 18 maart 2009 te herroepen, het terugvorderingbedrag vast te stellen op € 8.188,21 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 24 juli 2009.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep in totaal € 1748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 juli 2009;

- herroept het besluit van 18 maart 2009, stelt het bedrag van de terugvordering over de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 vast op € 8.188,21 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 juli 2009;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1748,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

EV