Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
10-4900 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellante kon beschikken over het tegoed op een bankrekening. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4900 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2010, 09/8891 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 14 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Polat-Kiliç. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontvangt sinds 16 mei 2007 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand.

1.3. Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellante rekeninghouder was van een rekening bij de Demir Halkbank. De rekening is op 9 juli 2007 geopend en toen is een kasstorting van € 5.750,-- gedaan. Op 10 juli 2009 is het gehele saldo van € 6.279,66 opgenomen en is de rekening opgeheven.

1.4. Bij besluit van 22 september 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 november 2009 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 herzien en de kosten van de over die periode betaalde bijstand tot een bedrag van € 1.296,-- van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, door bij het college geen melding te maken van de opening van de onder 1.3 genoemde bankrekening en de kasstorting, de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg van die schending aan appellante over de maand juli 2007 ten onrechte bijstand is verleend. Het college heeft daarbij overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet de beschikking heeft gehad over het tegoed op de bankrekening en dat de kasstorting moet worden aangemerkt als inkomen over de maand juli 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om een veroordeling tot het vergoeden van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen nog slechts in geschil of appellante gedurende de hier te beoordelen periode kon beschikken over het tegoed op de bankrekening. Appellante betwist dat zij kon beschikken over het tegoed op de bankrekening. Weliswaar stond de bankrekening op haar naam, maar het geld behoorde niet aan haar toe maar aan haar toenmalige vriend [naam vriend] ([naam vriend]). Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van 14 augustus 2009 van S. Yiri van Pacioli Accountancy overgelegd waarin wordt vermeld dat [naam vriend] het op de bankrekening gestorte bedrag vanwege schulden niet op zijn eigen rekening wilde aanhouden. Verder heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op een op 9 juli 2007 gedateerde overeenkomst tussen haar en [naam vriend].

4.2. Het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3. Appellante heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over het tegoed op de bankrekening kon beschikken. De reden waarom de bankrekening op haar naam stond is hierbij niet van belang. De Raad laat daar dat de in de onder 4.1 genoemde brief van 14 augustus 2009 opgenomen verklaring niet verifieerbaar is. Daaruit kan niet worden afgeleid dat appellante niet over het tegoed op de bankrekening kon beschikken. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de onder 4.1 genoemde overeenkomst van 9 juli 2007. Dat appellante en [naam vriend] blijkens die overeenkomst hebben afgesproken dat [naam vriend] de eigenaar blijft van de geldsom en dat bij beëindiging van de relatie het geld toekomt aan [naam vriend], maakt niet dat appellante in de hier te beoordelen periode niet over het tegoed op de bankrekening kon beschikken.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en C.H. Bangma en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) N.M. van Gorkum

HD