Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
10-6473 Bbz
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een saneringskrediet op grond van het Bbz 2004. Het bedrijf van appellant is niet levensvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6473 Bbz

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 oktober 2010, 10/67 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak 14 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Julius, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 mei 2012 heeft mr. M. Sloot, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde voor appellant gesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 juli 2012. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft vanaf mei 2005 een bedrijf voor catering en thuisbezorging van Indonesische maaltijden geëxploiteerd. Door een teleurstellende omzetontwikkeling was de exploitatie verliesgevend en zijn schulden ontstaan. Een aanvraag voor een saneringskrediet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) is door het college afgewezen. In februari 2009 heeft appellant de bedrijfsexploitatie beëindigd.

1.2. Appellant heeft vervolgens een herzien bedrijfsplan opgesteld. Hij heeft op grond van het Bbz 2004 een aanvraag ingediend om krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal met het oog op het starten van een nieuw bedrijf, een cafetaria met afhaalcapaciteit waar Indonesische maaltijden worden aangeboden (het bedrijf). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Zelfstandigenloket Flevoland het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK) verzocht te adviseren over de levensvatbaarheid van appellants bedrijf. Op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 11 juni 2009, heeft het IMK geadviseerd de aanvraag af te wijzen, omdat het bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar zal zijn.

1.3. Bij besluit van 12 juni 2009 heeft het college onder verwijzing naar het advies van het IMK de aanvraag van appellant afgewezen om reden dat het te starten bedrijf van appellant niet levensvatbaar is.

1.4. Het college heeft in het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2009 aanleiding gezien om Friedeberg Consultancy BV (Friedeberg) de levensvatbaarheid van het bedrijf te laten onderzoeken. In haar rapport van 16 oktober 2009 komt Friedeberg tot de conclusie dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Friedeberg acht kredietverstrekking - zeker gezien het slechte economische klimaat - onverantwoord, en adviseert om de aanvraag af te wijzen.

1.5. Bij het besluit van 2 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft zich bij de besluitvorming gebaseerd op de adviezen van het IMK en Friedeberg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat voert hij aan dat het bedrijf wel levensvatbaar is. Volgens hem zijn de adviezen van IMK en Friedeberg inhoudelijk onjuist en niet zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat er in zijn geval geen sprake is van een situatie waarin het college niet had mogen afgaan op de adviezen van het IMK en Friedeberg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op goede grond de aanvraag van appellant om bedrijfskrediet heeft afgewezen omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

4.3. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is een bijstandverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als IMK. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Het college heeft bovendien om appellant tegemoet te komen in zijn bewijslast advies gevraagd aan een tweede deskundige. Het college heeft daarbij bewust het door IMK uitgebrachte advies niet overgelegd aan Friedeberg opdat Friedeberg tot een eigen onafhankelijke afweging zou komen. IMK en Friedeberg zijn afzonderlijk van elkaar tot de conclusie gekomen dat op de vestigingslocatie van het bedrijf, de onderdoorgang van het

[naam vestigingslocatie] te [vestigingsplaats], weinig draagvlak voor het bedrijf bestaat en dat sprake is van een zeer zwakke financiële uitgangspositie. Beide hebben geadviseerd de aanvraag af te wijzen. De door IMK en Friedeberg in de adviezen gebezigde motivering is overtuigend. Anders dan appellant stelt, getuigen de rapporten van zorgvuldig onderzoek en zijn zij inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.4. Daartegenover heeft appellant geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - overgelegd die zijn standpunt dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf ondersteunen. Zijn stelling dat hij niet de middelen heeft voor het uitbrengen van een contra-expertise wordt niet gevolgd. Op grond van artikel 8:75 van de Awb heeft de rechtbank de mogelijkheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Dit artikel is op grond van artikel 21 van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het is aan appellant om met betrekking tot de vraag of hij een contra-expertise zal laten verrichten in dat licht een afweging te maken.

4.5. Uit hetgeen in 4.3. en 4.4. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en C.H. Bangma en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) N.M. van Gorkum

HD