Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
11/6857 WWB + 12/3094 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering, omdat appellant nog steeds niet stond ingeschreven in de GBA op het adres waar hij feitelijk woont, zodat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 12 november 2009. Bevoegdheid van de Raad. De rechtbank heeft de periode waarover appellant bijstand heeft aangevraagd terecht gesplitst in drie verschillende tijdvakken in verband met de verschillende toetsingskaders. De Raad onderschrijft de uitkomst van de toetsing. De Raad gaat er in beginsel vanuit dat appellant niet fraudeert, maar benadrukt dat het voor een juiste uitvoering van de WWB noodzakelijk is dat het college de inkomens- en vermogenspositie van appellant kan verifiëren aan de hand van (onder meer) de bankafschriften. Nu appellant ook ter zitting de bankafschriften niet heeft overgelegd, moet worden geconcludeerd dat het college het recht op bijstand van appellant niet kan vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6857 WWB, 12/3094 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 oktober 2011, 11/2852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft op 22 december 2011 een nader besluit op het bezwaar van appellant genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Willems.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Na een melding op 17 augustus 2009 heeft appellant op 4 september 2009 bijstand aangevraagd met ingang van 25 oktober 2005. Bij besluit van 22 oktober 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2009, heeft het college de aanvraag van appellant over de periode van 25 oktober 2009 tot en met 16 augustus 2009 afgewezen, met ingang van 17 augustus 2009 bijstand toegekend en het recht op bijstand per die datum opgeschort. Daarbij heeft het college aan appellant de voorwaarde gesteld om zich voor 7 november 2009 in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het door hem opgegeven woonadres. Het tegen het besluit van 27 november 2009 ingestelde beroep heeft appellant ingetrokken. Bij besluit van 12 november 2009 heeft het college de bijstand met ingang van de datum van opschorting, 17 augustus 2009, ingetrokken omdat appellant zich niet had ingeschreven in de GBA van de gemeente Haarlemmermeer. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Op 14 februari 2011 heeft appellant bijstand aangevraagd met ingang van 17 augustus 2009. Bij besluit van 17 maart 2011, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juli 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat appellant nog steeds niet stond ingeschreven in de GBA op het adres waar hij feitelijk woont, zodat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 12 november 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen in stand gelaten voor de periode van 17 augustus 2009 tot en met 13 februari 2011 en het college opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit over de periode vanaf 14 februari 2011 met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat de aan de bestuursrechter ter beoordeling voorliggende periode, die loopt van 17 augustus 2009 tot en met de datum van het primaire besluit, 17 maart 2011, door een verschil in toetsingskader moet worden onderscheiden in drie tijdvakken. Het college heeft dit onderscheid ten onrechte niet gemaakt. Over het tijdvak van 17 augustus 2009 tot en met 12 november 2009 heeft het college al besloten en is van belang of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan het college moet terugkomen op de eerdere besluitvorming. Voor het tijdvak van 13 november 2009 tot en met 13 februari 2011 is van belang of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan bijstand met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Nieuwe feiten en omstandigheden of bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank niet aanwezig geacht. Voor het tijdvak van 14 februari 2011 tot en met 17 maart 2011 ligt de vraag voor of er een wijziging is in de omstandigheden in die zin dat toen wel werd voldaan aan de vereisten voor bijstandverlening. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat het college de aanvraag heeft afgewezen alleen omdat appellant nog steeds niet stond ingeschreven in de GBA van de gemeente Haarlemmermeer. Voor de verlening van bijstand is het van essentieel belang waar iemand feitelijk woont. Dat wordt vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij is het van belang, maar niet doorslaggevend, waar iemand staat ingeschreven.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij al jaren geen eigen woning en geen inkomen heeft, waardoor hij in een moeilijke positie verkeert. Hij woont in bij zijn bejaarde moeder. Appellant wil zich niet op het adres van zijn moeder inschrijven in de GBA, omdat dit gevolgen kan hebben voor de huursubsidie en het persoonsgebonden budget (PGB) van zijn moeder. Verlaging van het PGB heeft bovendien gevolgen voor zijn zus, omdat zij hun moeder verzorgt. Appellant wil graag een eigen woning en maatschappelijke hulp. Hij heeft verder aandacht gevraagd voor andere zaken, waaronder andere procedures die hij voert of heeft gevoerd, klachten over het optreden van advocaten, klachten over verschillende bij de gemeente Haarlemmermeer werkzame personen, diverse strafzaken, klachten over een tandarts, over ontzeggingen van de toegang tot het raadhuis, een aangifte van een receptioniste van het gemeentehuis tegen hem en klachten over een rechter van de rechtbank Haarlem in een procedure over het verstrekken van gegevens uit de politieregisters. Appellant wil een schadeloosstelling van de rechtbank Haarlem van € 50.000,-- en van de gemeente Haarlemmermeer van € 152.000,--.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 22 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen over de periode vanaf 14 februari 2011. Op de voet van artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad dit besluit in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

4.1. De rechtsmacht van de Raad is beschreven in artikel 18 van de Beroepswet. De Raad is, kort gezegd, bevoegd om een uitspraak van de rechtbank te beoordelen indien een belanghebbende of het bestuursorgaan dat een besluit heeft genomen op grond van een wettelijk voorschift dat is opgenomen in de bijlage die staat vermeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet, daartegen hoger beroep heeft ingesteld. De Raad is niet bevoegd in geschillen met de gemeente over het (niet) verkrijgen van een woning. Zoals ter zitting is besproken kan appellant een urgentieverklaring voor het verkrijgen van zelfstandige huisvesting aanvragen bij Woonservice Haarlem. De Raad is ook niet bevoegd om te oordelen over strafzaken of over de handelwijze van individuele rechters, advocaten of gemeenteambtenaren. Hij kan evenmin beslissen over daarmee samenhangende verzoeken tot schadeloosstelling. De Raad is dus (alleen) bevoegd om de aangevallen uitspraak over de afwijzing van de bijstand aan appellant te beoordelen.

4.2. De rechtbank heeft de periode waarover appellant bijstand heeft aangevraagd terecht gesplitst in drie verschillende tijdvakken in verband met de verschillende toetsingskaders.

De Raad onderschrijft de uitkomst van de toetsing.

4.3. De rechtbank heeft er verder terecht op gewezen dat ook voor andere regelingen de inschrijving in de GBA niet doorslaggevend is en dat het gevolgen heeft voor het recht op huursubsidie van zijn moeder als appellant bijstand ontvangt, ook als hij niet op haar adres staat ingeschreven. Anders dan appellant meent heeft de rechtbank hiermee niet beoogd om zijn moeder, zijn zus en hem te benadelen maar, ter voorlichting aan appellant, juist duidelijk gemaakt dat ook bij de toepassing van andere regelingen, zoals het PGB, de feitelijke situatie van groot belang is.

4.4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

Het besluit van 22 december 2011

4.5. Het college heeft, zoals de rechtbank had opgedragen, een nader onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellant over de periode vanaf 14 februari 2011. Bij brief van

22 november 2011 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 november 2011, waarbij hij een aantal gegevens, waaronder zijn bankafschriften vanaf 14 februari 2011 moest meenemen. Nadat appellant, zonder bericht, niet bij dit gesprek was verschenen heeft het college hem bij brief van 7 december 2011 in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens voor 14 december 2011 toe te sturen. Op 8 december 2011 heeft appellant niet de gevraagde gegevens, maar zijn bezwaarschrift van 19 april 2011 nogmaals opgestuurd. Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2011, voor zover dat ziet op de periode vanaf 14 februari 2011, ongegrond verklaard op de grond dat het recht op bijstand vanaf die datum niet kan worden vastgesteld.

4.6. Ter zitting van de Raad heeft appellant zijn bankafschriften vanaf 2008 meegenomen. Hij wilde deze ter inzage geven om aan te tonen dat hij geen fraudeur is, maar heeft uitdrukkelijk geweigerd daarvan kopieën aan het college over te leggen om aan de hand daarvan zijn recht op bijstand vast te stellen. De Raad gaat er in beginsel vanuit dat appellant niet fraudeert, maar benadrukt dat het voor een juiste uitvoering van de WWB noodzakelijk is dat het college de inkomens- en vermogenspositie van appellant kan verifiëren aan de hand van (onder meer) de bankafschriften. Nu appellant ook ter zitting de bankafschriften niet heeft overgelegd, moet worden geconcludeerd dat het college het recht op bijstand van appellant vanaf 14 februari 2011 niet kan vaststellen. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond moet worden verklaard.

Schadevergoeding

4.7. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Hiermee is gegeven dat dit besluit onrechtmatig is. Indien de uitkomst van nader onderzoek zou zijn geweest dat appellant vanaf 14 februari 2011 recht had op bijstand, was er in beginsel aanleiding voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente in verband met het niet tijdig voldoen van een geldsom. Nu het besluit van 22 december 2011, waarin staat dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, in rechte stand houdt, kan niet worden geconcludeerd dat bijstand te laat is uitbetaald en dient het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2011 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding in verband met het niet tijdig voldoen van bijstand af;

- verklaart zich voor het overige onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en E.J. Govaers en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A.C. Oomkens

RB