Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
11-2049 AW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing voor de vervulling van de groepsfunctie F omdat appellant niet geschikt wordt geacht. Gelijkheidsbeginsel. Op het geding betrekking hebbende stukken. Beoordelingsvrijheid bestuursorgaan. De poging om het gebrek in de advisering tijdens het bezwaar te herstellen, is niet geslaagd, zodat er geen sprake is geweest van een op zorgvuldige wijze tot stand gekomen advies waarop de gehandhaafde afwijzing voor de vervulling van de groepsfunctie F kon worden gebaseerd. Ook bezien de inhoud had de minister voldoende reden om niet af te gaan op het advies. De minister heeft bij het bestreden besluit niet in redelijkheid tot de op de ongeschiktheid van appellant gebaseerde afwijzing voor de groepsfunctie F kunnen komen. De Raad acht een herstel van de gebreken in de totstandkoming van het advies van de sac in redelijkheid niet meer mogelijk, omdat het niet realistisch is dat nu nog met voldoende nauwkeurigheid de motivering van de sac van juli 2009 achterhaald kan worden….Daarom acht de Raad het geraden, dat met appellant een nieuw selectiegesprek wordt gehouden en daarover overeenkomstig de voorschriften van het draaiboek een nieuw advies wordt opgemaakt. De minister dient met in achtneming van dat advies en zonder acht te slaan op de gegevens van het selectiegesprek van juli 2009 een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:4, geldigheid: 2012-08-09
Algemene wet bestuursrecht 8:42, geldigheid: 2012-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/17

Uitspraak

11/2049 AW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 maart 2011, 10/422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Financiën, thans de Staatssecretaris van Financiën (minister)

Datum uitspraak 9 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft op verzoek van de Raad nadere inlichtingen verschaft.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.A. Helmer, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Leersum en [lid sac].

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Naar aanleiding van een centrale interne werving van functionarissen bij de belastingdienst heeft appellant als groepsfunctionaris E gesolliciteerd naar groepsfunctie F. Bij die werving en selectie was het Draaiboek ‘Interne Werving 2009’ B/CK van 6 maart 2009 (draaiboek) van toepassing. Na een gesprek met de sollicitatiecommissie (sac) is appellant bij besluit van 4 september 2009, zoals gewijzigd bij besluit van 8 september 2009, afgewezen voor de vervulling van de groepsfunctie F omdat hij niet geschikt wordt geacht. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft de persoonlijke aantekeningen van de leden van de sac niet aangemerkt als op het geding betrekking hebbende stukken en geoordeeld dat deze stukken dus niet hoefden te worden overgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld, dat er een voldoende evenwichtig afwegingsproces van appellants bekwaamheden tegen de achtergrond van de functie-eisen is geweest. Tenslotte heeft de rechtbank het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel afgewezen.

1.3. Appellant heeft in hoger beroep alle genoemde oordelen van de rechtbank aangevochten. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2. Het gelijkheidsbeginsel

2.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel. De Raad volstaat met een verwijzing naar die overwegingen.

3. De op het geding betrekking hebbende stukken

3.1. In het draaiboek is met betrekking tot de procedure voorgeschreven, dat elk lid van de sac een beoordelingsformulier invult dat als input wordt gebruikt voor het gezamenlijke scoringsformulier van de sac, dat vervolgens als gezamenlijk advies van de sac dient en naar het bevoegd gezag wordt gezonden. Ter zitting heeft [lid sac], die in de sollicitatieprocedure van appellant heeft gefungeerd als lid van de sac, nader toegelicht dat steeds na het gesprek met de sollicitant enige tijd werd genomen om elk lid van de sac individueel zijn formulier te laten invullen. Daarna werd in mondeling overleg het gezamenlijke advies tot stand gebracht. De leden van de sac maakten voor en tijdens het gesprek met de sollicitant soms ook enige persoonlijke aantekeningen.

3.2. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn opvatting dat naast het formele advies van de sac ook de persoonlijke aantekeningen van de leden van de sac op het geding betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat deze dus overgelegd hadden moeten worden.

3.3. De Raad is van oordeel dat in een procedure als de onderhavige, waarin het gezamenlijke advies van de sac als resultante van het sollicitatiegesprek en de beoordeling van de kandidaat aan het bevoegd gezag wordt gezonden, de geschriften en aantekeningen van de individuele leden van de sac in het algemeen geen op het geding betrekking hebbende stukken zijn. Door de wijze van totstandkoming en de inhoud van het advies van de sac over appellant, zoals onder 4 aan de orde zal komen, is er aanleiding om hierop in dit geval een uitzondering te maken. Uit oogpunt van inzichtelijkheid en controleerbaarheid mochten de door elk lid van de sac persoonlijk ingevulde beoordelingsformulieren, waarop zij hun geobjectiveerde en gemotiveerde oordeel over de zes competenties hebben ingevuld, niet bij de gedingstukken ontbreken. Dat de minister die individuele beoordelingsformulieren van de leden van de sac niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft betrokken, is niet van belang.

4. De gehandhaafde afwijzing voor de vervulling van de groepsfunctie F

4.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is de beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de ambtenaar tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing van de rechter terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De Raad voegt hieraan toe dat bij de toetsing van een kandidaat op zijn vaardigheden zoals hier aan de orde het bestuursorgaan in beginsel kan volstaan met de toets of het oordeel van de sac op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (zie onder meer CRvB 8 maart 2001, LJN AB1089 en TAR 2001, 59).

4.2. De bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing vanwege appellants ongeschiktheid is gebaseerd op de resultaten van het selectiegesprek. Daarbij is de minister ervan uitgegaan dat de selecteurs in gezamenlijkheid een score hebben toegekend en een motivering per competentie hebben gegeven. De minister acht de procedure zorgvuldig en niet in strijd met de regelgeving.

4.3. Hierover merkt de Raad in de eerste plaats op dat het Gezamenlijk oordeel selectiegesprek de scores bij de zes beoordelingsaspecten van elk lid van de sac laat zien, alsmede de eindscore per beoordelingsaspect en de totaalscore. De in dit formulier per beoordelingsaspect opengelaten ruimte voor een toelichting na onderling overleg is niet ingevuld. Bij de gedingstukken is wel een handgeschreven ingevuld Samenvattend oordeel selectiegesprek (opgemaakt door de voorzitter) voorhanden. Dit betekent, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, dat het voorschrift uit het draaiboek dat de leden van de sac in gezamenlijkheid naast de scores ook een motivering per competentie toekennen niet is nageleefd.

4.4. Naar aanleiding van de kritiek van appellant op het ontbreken van deze motivering is tijdens de bezwaarfase alsnog via het managementteam op 22 januari 2010 een onderbouwing van de eindscores en een samenvattend oordeel op schrift gesteld, die in een brief van het managementteam verwoord zijn. Deze nagekomen onderbouwing voldoet echter reeds niet aan de in het draaiboek gestelde eisen, omdat zij is opgesteld door tussenkomst van slechts twee leden van de sac. Het derde lid van de sac, de voorzitter, is niet bij de totstandkoming van dit stuk betrokken. Dit betekent dat de poging om het gebrek in de advisering tijdens het bezwaar te herstellen niet geslaagd is, zodat er geen sprake is geweest van een op zorgvuldige wijze tot stand gekomen advies waarop de gehandhaafde afwijzing voor de vervulling van de groepsfunctie F kon worden gebaseerd.

4.5. Ook bezien de inhoud had de minister voldoende reden om niet af te gaan op het advies zoals aangevuld op 22 januari 2010. In de eerste plaats wijkt de inhoud van het samenvattende oordeel, dat de twee leden van de sac op 22 januari 2010 aan het managementteam hebben verstrekt, in negatieve zin substantieel af van het Samenvattend oordeel selectiegesprek (opgemaakt op 23 juli 2009 door de voorzitter). Verder bevat de motivering enige ongerijmdheden die vraagtekens oproepen. Er is een negatieve kanttekening over de overtuigingskracht van appellant opgenomen in de motivering voor de positieve score voor oordeelsvorming. Van belang is welke betekenis hieraan is toegekend bij de toedeling van de score voor de oordeelsvorming, omdat overtuigingskracht geen rol hoort te spelen bij deze competentie. De opmerking bij de positieve score voor de competentie inzet, dat betrokkene naar eigen zeggen niet aan zijn reguliere werk zou toekomen, roept op zich al twijfels op. Daarbij geldt ook dat appellant de realiteit van die passage heeft betwist.

4.6. Bij al deze tekortkomingen in het advies in onderlinge samenhang had het op de weg van de minister gelegen om nadere informatie in te winnen over het resultaat van het selectiegesprek en/of om zich op andere wijze te laten voorlichten over de bekwaamheden of geschiktheid van appellant. De omstandigheid dat appellant bij een vergelijkbaar selectiegesprek voor de groepsfunctie F in 2006 is aangemerkt als een geschikte, gedreven kandidaat, was evenzeer reden om bij een ongeschiktheidadvies hoge eisen te stellen aan de navolging van de regels en de begrijpelijkheid van de motivering.

4.7. Het vorenstaande brengt mee, dat de minister bij het bestreden besluit niet in redelijkheid tot de op de ongeschiktheid van appellant gebaseerde afwijzing voor de groepsfunctie F heeft kunnen komen. Het bestreden besluit zal dus niet in stand kunnen blijven, evenals de aangevallen uitspraak waarin het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

5. De Raad acht een herstel van de hiervoor genoemde gebreken in de totstandkoming van het advies van de sac in redelijkheid niet meer mogelijk, omdat het niet realistisch is dat nu nog met voldoende nauwkeurigheid de motivering van de sac van juli 2009 achterhaald kan worden, mede in verband met de al genoemde tekortkomingen in de motivering bij twee beoordelingsaspecten. Daarom acht de Raad het geraden, dat met appellant een nieuw selectiegesprek wordt gehouden en daarover overeenkomstig de voorschriften van het draaiboek een nieuw advies wordt opgemaakt. De minister dient met in achtneming van dat advies en zonder acht te slaan op de gegevens van het selectiegesprek van juli 2009 een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6. Met het oog op finale geschilbeslechting draagt de Raad de minister met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op om binnen drie maanden na de verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de minister op om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 26 februari 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) J.G. Treffers

(getekend) M.R. Schuurman

HD