Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
11-2246 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging functie in die zin dat de werkzaamheden als zittingsvertegenwoordiger niet langer aan appellant worden opgedragen. Daarbij is vermeld dat de taak van zittingsvertegenwoordiger gaat rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers dan voorheen op basis van een tweejaarlijks roulatieschema. Beëindiging maandelijkse toelage. Geen opheffing functie. Geen reorganisatie. Een bestuursorgaan is vrij is om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten. Verder heeft de minister erop gewezen dat met de invoering van het roulatiesysteem de in de loop der tijd gewijzigde functie van appellant weer in overeenstemming wordt gebracht met het geldende functiehuis. Niet kan worden gezegd dat de minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid de organisatiebelangen zwaarwegender heeft mogen achten dan het persoonlijke belang van appellant om de taak van zittingsvertegenwoordiger - structureel - te kunnen blijven uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/15

Uitspraak

11/2246 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 maart 2011, 10/1058 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak 9 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Weekers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H.M. van der Voort en mr. drs. A.S. van der Ven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) als raadsonderzoeker in de regio Limburg (salarisschaal 9). In 2002 is hem opgedragen om, naast de functie van raadsonderzoeker, de taak van zittingsvertegenwoordiger te gaan uitvoeren. Deze taak is niet opgenomen in het functieprofiel van de functie van raadsonderzoeker. De minister heeft aangenomen, zoals blijkt uit zijn besluit van 11 december 2008, dat de taak van zittingsvertegenwoordiger op enig moment een structureel deel is gaan uitmaken van de functie van appellant. Tot 1 januari 2010 oefende naast appellant nog één andere raadsonderzoeker de taak van zittingsvertegenwoordiger uit. In het jaar 2009 bedroeg de omvang van de desbetreffende werkzaamheden voor appellant acht uur per week. Voor het verrichten van de taak van zittingsvertegenwoordiger ontving appellant een toelage. Deze toelage bedroeg met ingang van 1 april 2009 € 85,04 (bruto) per maand.

1.2. Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat, zoals bij brief van 25 mei 2009 was aangekondigd, zijn functie met ingang van 1 januari 2010 structureel wordt gewijzigd in die zin dat de werkzaamheden als zittingsvertegenwoordiger niet langer aan appellant worden opgedragen. Daarbij is vermeld dat de taak van zittingsvertegenwoordiger gaat rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers dan voorheen op basis van een tweejaarlijks roulatieschema. Verder is beslist om de maandelijkse toelage met ingang van 1 januari 2010 te beëindigen. Het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2009 is bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In de eerste plaats volgt de Raad niet het standpunt van appellant dat het bestreden besluit een opheffing van zijn functie inhoudt en dat dit besluit overeenkomstig moet worden getoetst. Met ingang van 1 januari 2010 is de taak van zittingsvertegenwoordiger, zoals vermeld onder 1.2, gaan rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers dan voorheen op basis van een tweejaarlijks roulatieschema. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat deze wijziging geen wijziging meebrengt van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van het desbetreffende dienstonderdeel, zodat geen sprake is van een reorganisatie in de zin van artikel 49b, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

3.2. Vervolgens moet voorop worden gesteld dat een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Raad vrij is om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten (CRvB 27 januari 2011, LJN BP3471).

3.3. De minister is overgegaan tot de invoering van een roulatiesysteem om zo te bewerkstelligen dat meer raadsonderzoekers dan voorheen in aanmerking kunnen komen voor het uitvoeren van de taak van zittingsvertegenwoordiger. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat het uitvoeren van deze taak kan bijdragen aan een betere uitoefening van de functie van raadsonderzoeker en aan een bredere inzetbaarheid van de betrokken raadsonderzoekers. Verder heeft de minister erop gewezen dat met de invoering van het roulatiesysteem de in de loop der tijd gewijzigde functie van appellant weer in overeenstemming wordt gebracht met het binnen de RvdK geldende functiehuis.

3.4. Niet kan worden gezegd dat de minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid de onder 3.3 vermelde organisatiebelangen zwaarwegender heeft mogen achten dan het persoonlijke belang van appellant om de taak van zittingsvertegenwoordiger - structureel - te kunnen blijven uitoefenen. Daarbij is mede van betekenis dat appellant op een later moment weer opnieuw in aanmerking kan komen voor de uitoefening van de taak van zittingsvertegenwoordiger en dat hij door de minister ruim van tevoren op de hoogte is gesteld van de invoering van het roulatiesysteem. Evenals de rechtbank is de Raad tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

4. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) J.G. Treffers

(getekend) M.R. Schuurman

HD