Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
11-5899 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellant is op diens verzoek fpu-ontslag verleend.

Op 18 november 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van een stimuleringspremie ingevolge art. 20, lid 5 van het sfb. Dit verzoek is afgewezen.

Raad: Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 april 2011, LJN: BQ3453 stelt de Raad vast dat de stimuleringspremie is bedoeld om medewerkers door middel van een financiële prikkel ertoe te bewegen ontslag te nemen teneinde de aanwezige boventalligheid binnen de belastingdienst te verminderen. De staatssecretaris mocht dan ook doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat appellant bij het in werking treden van het sfb, op 25 juni 2010, reeds vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag had genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig en inwilliging van zijn verzoek zou in strijd komen met de strekking van de maatregel.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de staatssecretaris vanwege de eisen van goed werkgeverschap gehouden was appellant op het moment dat hij overwoog ontslag aan te vragen, te wijzen op de aanstaande invoering van fase 2 van het Sociaal Flankerend Beleid. Indien al ten tijde van de ontslagverlening aan appellant duidelijk was voor de staatssecretaris dat de functiegroep waartoe appellant behoorde in de nabije toekomst zou worden aangewezen voor toepassing van fase 2, dan nog kon van de staatssecretaris niet worden verwacht dat hij medewerkers zoals appellant, die uit eigen beweging om ontslag verzochten, zou adviseren daarmee nog even te wachten teneinde financieel van het sfb te kunnen profiteren.

Evenmin kon van de staatssecretaris worden verwacht dat hij medewerkers als appellant in de gelegenheid zou stellen een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen. De Raad kan appellant verder niet volgen in zijn veronderstelling dat de staatssecretaris bewust zou hebben gewacht met het uitreiken van de brief van 15 juli 2010 tot na het verstrijken van de bezwaartermijn tegen het ontslagbesluit, om aan appellant de mogelijkheid te ontnemen zijn ontslagverzoek in te trekken en een nieuw ontslagverzoek in te dienen. Afgezien van het feit dat het achterhouden van de brief vermoedelijk een onschuldige reden had, zoals in 1.2 is aangeduid, wijst de Raad erop, dat ten tijde van de brief van 15 juli 2010 het ontslagbesluit van 31 mei 2010 reeds in rechte vaststond.

(…)

De Raad kan zich goed voorstellen dat het appellant een onaangenaam gevoel geeft dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet in aanmerking komt voor een stimuleringspremie. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris - het doel van de stimuleringspremie voor ogen houdend - anders had behoren te handelen dan hij heeft gedaan.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5899 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 september 2011, 11/620 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 9 augustus 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door een enkelvoudige kamer op 8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Weekers. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Leersum.

Na de zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Beide partijen hebben nog een stuk ingezonden en toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als groepsfunctionaris F bij de belastingdienst Limburg, kantoor [naam kantoor]. Op 21 maart 2010 heeft appellant verzocht om ontslag met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden ingevolge artikel 94a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 september 2010. Dit fpu-ontslag is hem bij besluit van 31 mei 2010 verleend.

1.2. Bij brief van 15 juli 2010 is aan een groot aantal ambtenaren van de Belastingdienst meegedeeld dat zij werkzaam zijn in een hoofdproces/segment waar sprake is van boventalligheid en dat zij recht hebben op voorzieningen uit fase 2 van het Sociaal Flankerend Beleid. Met ingang van diezelfde datum zijn deze ambtenaren aangemerkt als aangewezen ambtenaar in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012 (sfb). Het voor appellant bestemde exemplaar van de brief van 15 juli 2010 is aanvankelijk niet aan hem verzonden of uitgereikt vermoedelijk omdat er vanuit werd gegaan dat, vanwege het reeds verleende ontslag, de brief voor hem geen betekenis meer had. Appellant heeft dit exemplaar eerst in november 2010 ontvangen, nadat hij de desbetreffende personeelsfunctionaris hierom had verzocht.

1.3. Op 18 november 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van een stimuleringspremie ingevolge artikel 20, vijfde lid, van het sfb. Bij besluit van 15 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 mei 2011 (bestreden besluit), is dit verzoek afgewezen. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat artikel 20 van het sfb - en daarmee de mogelijkheid om een stimuleringspremie toe te kennen - ten tijde van de ontslagaanvraag en ontslagverlening van appellant niet op appellant van toepassing was, omdat hij op 21 maart 2010 en op 31 mei 2010 geen herplaatsingskandidaat of aangewezen ambtenaar was als bedoeld in artikel 20 van het sfb.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Overwogen is dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet voldoet aan de in artikel 20 van het sfb vervatte voorwaarden om voor de gevraagde stimuleringspremie in aanmerking te komen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, derde lid, van het sfb kan een stimuleringspremie ter grootte van ten hoogste twaalf maandsalarissen worden toegekend aan de aangewezen ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag wordt verleend. Het vierde lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat geen stimuleringspremie als bedoeld in het derde lid wordt toegekend indien het ontslag is verleend op grond van artikel 94a van het ARAR (fpu-ontslag). In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag in het belang van de dienst kan afwijken van het vierde lid, onderdeel b.

3.2. De Raad onderschrijft in grote lijnen de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop deze berust. Appellant was ten tijde van zijn ontslagaanvraag en ten tijde van de ontslagverlening niet aangemerkt als aangewezen ambtenaar. De (landelijke) aanwijzing van ambtenaren heeft pas later plaatsgevonden, bij brief van 15 juli 2010. Op dat moment stond het fpu-ontslagbesluit van appellant reeds in rechte vast. Appellant kon dus geen aanvraag om ontslag meer doen, en voldeed daarom al niet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 20 van de sfb om in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. Anders dan appellant in zijn beroepschrift stelt, is voor de aanspraak op de premie niet bepalend of de betrokkene op de ingangsdatum van het ontslag een “aangewezen ambtenaar” is. Dat dient al het geval te zijn op de datum van het ontslagverzoek.

3.3. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen in een vergelijkbare zaak (CRvB 28 april 2011, LJN BQ3453) stelt de Raad vast dat de stimuleringspremie is bedoeld om medewerkers door middel van een financiële prikkel ertoe te bewegen ontslag te nemen teneinde de aanwezige boventalligheid binnen de belastingdienst te verminderen. De staatssecretaris mocht dan ook doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat appellant bij het in werking treden van het sfb, op 25 juni 2010, reeds vrijwillig en op geheel andere gronden ontslag had genomen. Bevordering van zijn vertrek was daarom niet meer nodig en inwilliging van zijn verzoek zou in strijd komen met de strekking van de maatregel.

3.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de staatssecretaris vanwege de eisen van goed werkgeverschap gehouden was appellant op het moment dat hij overwoog ontslag aan te vragen, te wijzen op de aanstaande invoering van fase 2 van het Sociaal Flankerend Beleid. Indien al ten tijde van de ontslagverlening aan appellant duidelijk was voor de staatssecretaris dat de functiegroep waartoe appellant behoorde in de nabije toekomst zou worden aangewezen voor toepassing van fase 2, dan nog kon van de staatssecretaris niet worden verwacht dat hij medewerkers zoals appellant, die uit eigen beweging om ontslag verzochten, zou adviseren daarmee nog even te wachten teneinde financieel van het sfb te kunnen profiteren.

3.5. Evenmin kon van de staatssecretaris worden verwacht dat hij medewerkers als appellant in de gelegenheid zou stellen een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen. De Raad kan appellant verder niet volgen in zijn veronderstelling dat de staatssecretaris bewust zou hebben gewacht met het uitreiken van de brief van 15 juli 2010 tot na het verstrijken van de bezwaartermijn tegen het ontslagbesluit, om aan appellant de mogelijkheid te ontnemen zijn ontslagverzoek in te trekken en een nieuw ontslagverzoek in te dienen. Afgezien van het feit dat het achterhouden van de brief vermoedelijk een onschuldige reden had, zoals in 1.2 is aangeduid, wijst de Raad erop, dat ten tijde van de brief van 15 juli 2010 het ontslagbesluit van 31 mei 2010 reeds in rechte vaststond.

3.6. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel sluit de Raad aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Nu de collega’s van appellant om ontslag hebben verzocht na de aanwijzing van 15 juli 2010 is geen sprake van gelijke gevallen.

3.7. De Raad kan zich goed voorstellen dat het appellant een onaangenaam gevoel geeft dat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet in aanmerking komt voor een stimuleringspremie. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris - het doel van de stimuleringspremie voor ogen houdend - anders had behoren te handelen dan hij heeft gedaan.

3.8. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.

(getekend) J.G. Treffers

(getekend) M.R. Schuurman

HD