Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
11-6297 WIA-PV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak. De Rb. kon aan de stelling van appellant dat hij belang heeft bij de procedure omdat hij aanspraak wil maken op een IVA-uitkering niet voorbij gaan op de grond dat dit pas naar voren is gebracht op de nadere zitting en nadat appellant hieromtrent was bevraagd. Als een partij, in het kader van een procedure die betrekking heeft op de vaststelling dat recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, stelt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering, heeft deze partij een procesbelang. Zodanig belang wordt, ook al wordt dit belang pas op een later moment in de procedure en naar aanleiding van daartoe gestelde vragen aangevoerd, geacht van meet af aanwezig te zijn. In de onderhavige zaak is dat belang niet in de loop van de procedure komen te vervallen.

Partijen hebben ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat zij belang hebben bij terugwijzing van de zaak ter behandeling door de Rb. en zij hebben dit belang onderbouwd. Daartoe is gewezen op de omstandigheid dat in een thans bij de Rb. lopende procedure, die ook betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, zij het op een latere datum, de Rb. het voornemen heeft een deskundige te benoemen. De conclusies en bevindingen van die deskundige zullen, zo hebben beide partijen verklaard, tevens van belang zijn voor de onderhavige zaak, omdat in de onderhavige zaak ook door de Rb. deskundigen zijn benoemd, maar één van die deskundigen niet ondubbelzinnig en concludent heeft geadviseerd. De Raad ziet hierin aanleiding om de onderhavige zaak terug te wijzen naar de Rb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 2012-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/252
Opleidingen Legal 2013/10

Uitspraak

11/6297 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2011, 08/2858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

Zitting hebben: H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden.

Griffier: D. Heeremans.

Ter zitting zijn verschenen: voor appellant mr. D.S. de Ploeg, advocaat; het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 24 november 2008 niet-ontvankelijk is verklaard;

- wijst de zaak ter behandeling terug naar de rechtbank;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag € 874,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 24 november 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het resultaat dat appellant in de procedure voor de rechtbank nastreeft, ook indien dat tot gevolg zou hebben dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid wordt gesteld op 80% of meer, geen feitelijke betekenis voor appellant kan hebben, zodat het beroep vanwege het komen te ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft tevens overwogen voorbij te gaan aan hetgeen appellant ter nadere zitting en uitsluitend na te zijn gewezen op de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, LJN BQ1755 naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij van mening is dat hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is en dat hij aanspraak wil maken op een IVA-uitkering.

De in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank aangevoerde beroepsgrond treft doel. De rechtbank kon aan de stelling van appellant dat hij belang heeft bij de procedure omdat hij aanspraak wil maken op een IVA-uitkering niet voorbij gaan op de grond dat dit pas naar voren is gebracht op de nadere zitting en nadat appellant hieromtrent was bevraagd. Als een partij, in het kader van een procedure die betrekking heeft op de vaststelling dat recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, stelt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering, heeft deze partij een procesbelang. Zodanig belang wordt, ook al wordt dit belang pas op een later moment in de procedure en naar aanleiding van daartoe gestelde vragen aangevoerd, geacht van meet af aanwezig te zijn. In de onderhavige zaak is dat belang niet in de loop van de procedure komen te vervallen.

Partijen hebben ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat zij belang hebben bij terugwijzing van de zaak ter behandeling door de rechtbank en zij hebben dit belang onderbouwd. Daartoe is gewezen op de omstandigheid dat in een thans bij de rechtbank lopende procedure, die ook betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, zij het op een latere datum, de rechtbank het voornemen heeft een deskundige te benoemen. De conclusies en bevindingen van die deskundige zullen, zo hebben beide partijen verklaard, tevens van belang zijn voor de onderhavige zaak, omdat in de onderhavige zaak ook door de rechtbank deskundigen zijn benoemd, maar één van die deskundigen niet ondubbelzinnig en concludent heeft geadviseerd. De Raad ziet hierin aanleiding om de onderhavige zaak terug te wijzen naar de rechtbank.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) D. Heeremans. (getekend) H.G. Rottier.

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

IvR