Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
12-821 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Met de uitspraak van 11 mei 2011 (LJN BQ4703) staat in rechte vast dat de arbeidsovereenkomst van appellante per 1 september 2005 niet is beëindigd, maar is voortgezet voor 12,5 uur per week. Appellante kan derhalve geen aanspraak op ziekengeld ontlenen aan artikel 29, tweede lid, van de ZW. Zoals de Raad reeds eerder heeft vastgesteld bevat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld. Bevestiging aangevallen uitspraak. Overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv. Het Uwv wordt veroordeelt vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 2.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/821 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 december 2011, 11/3020 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. Namens appellante is mr. Bol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 28 maart 2006 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het besluit van 16 maart 2006, bij welk besluit de Ziektewet (ZW)-uitkering van appellante per

1 september 2005 is beëindigd. Voor een overzicht van de daarop volgende feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 11 mei 2011, LJN BQ4703.

1.2. In de onder 1.1 genoemde uitspraak heeft de Raad het volgende vastgesteld:

“Op basis van de voorhanden gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellante per 1 september 2005 doorlopend dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever is blijven verrichten, zij het met een omvang van 12,5 uur per week in plaats van 19,5 uur per week. Niet gebleken is dat per 1 september 2005 de bestaande arbeidsovereenkomst (met gebruikmaking van de verleende vergunning) is opgezegd of dat met ingang van die datum een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten. Derhalve is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een opzegging als bedoeld in artikel 7:670 van het BW, maar van een vermindering van het aantal arbeidsuren per week. Dat betekent dat het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 van het BW in dit geval niet van toepassing is en dat mitsdien van appellante niet kon worden gevergd dat zij de nietigheid van het ontslag zou hebben ingeroepen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad dan ook ten onrechte met toepassing van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW ziekengeld geweigerd.”

De Raad heeft vervolgens onder meer bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen.

1.3. Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van de Raad bij besluit van 11 augustus 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard op de grondslag dat appellante niet behoort tot de verzekerden die op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW aanspraak kunnen maken op ziekengeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, gelet op de uitspraak van de Raad van 11 mei 2011, er terecht vanuit is gegaan dat er geen opzegging van het dienstverband, maar slechts een vermindering van het aantal arbeidsuren naar 12,5 uur per week heeft plaatsgevonden en het Uwv derhalve de aanvraag om een ZW-uitkering terecht heeft geweigerd op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW.

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd, verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen. Voorts heeft appellante aanspraak gemaakt op schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat de procedure, gerekend vanaf het primaire besluit van 16 maart 2006, langer dan vier jaren heeft geduurd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Met betrekking tot het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Met de uitspraak van 11 mei 2011 staat in rechte vast dat de arbeidsovereenkomst van appellante per 1 september 2005 niet is beëindigd, maar is voortgezet voor 12,5 uur per week. Appellante kan derhalve geen aanspraak op ziekengeld ontlenen aan artikel 29, tweede lid, van de ZW. Zoals de Raad reeds eerder heeft vastgesteld (zie de uitspraak van 28 juli 2010, LJN BN2809) bevat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

4.2.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

4.2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - sociale zekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist.

4.2.3. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

In een geval als dit waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.2.4. Zoals overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.2.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 28 maart 2006 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 16 maart 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn ruim zes jaar en vier maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante, zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met ruim twee jaar en vier maanden overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding komt derhalve geheel voor rekening van het Uwv. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. De door appellante geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op vijf maal € 500,-, dat is € 2500,-, te betalen door het Uwv.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 2500,-.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) E. Heemsbergen

RK