Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
12-1727 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Nu door appellante niet is gesteld dat de beschreven werkzaamheden onjuist zijn weergegeven danwel dat de belasting van het werk zwaarder was dan waarvan door het Uwv is uitgegaan, is er geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsartsen geen juist beeld hebben gehad van aard en zwaarte van het werk van appellante. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken zijn voldoende grondslag voor de onderbouwing het standpunt dat appellante geschikt te achten is voor haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1727 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2012, 11/8473 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 15 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 juli 2012, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Woerden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam als agrarisch medewerkster in de bloementuinbouw, is op 8 maart 2010 uitgevallen met nek- en schouderklachten en een tenniselleboog. In dat kader is zij op 10 augustus 2010 door bedrijfsarts E. von Bóné op het spreekuur onderzocht. Op basis van anamnese, bevindingen uit lichamelijk onderzoek en de informatie van de behandelend specialist is de bedrijfsarts tot de conclusie gekomen dat appellante ondanks haar resterende klachten weer volledig geschikt is voor haar eigen werk als agrarisch medewerkster. Bij besluit van gelijke datum is appellantes uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 16 augustus 2010 beëindigd.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 oktober 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard. Appellantes uitkering ingevolge de ZW is met ingang van 22 mei 2011 beëindigd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 3 oktober 2011 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van de dossierstukken en de bevindingen van appellantes reumatoloog en orthopedisch chirurg geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding de verschijnselen van epicondylitis zijn verdwenen. Voorts zijn voor de pijnklachten aan schouder en nek geen objectiveerbare afwijkingen door de behandelend orthopedisch chirurg aangetoond. Nu voor appellantes mededeling ter zitting, dat geconstateerd zou zijn dat bij haar sprake is van een frozen elleboog geen medische onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen Appellante wordt volgens de rechtbank derhalve per 22 mei 2011 terecht in staat geacht het eigen werk van agrarisch medewerkster te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Volgens appellante is geen sprake geweest van een spontaan herstel van haar epicondylitis, maar is er sprake van een stationair beeld. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat niet enkel sprake is van epicondylitis maar tevens van schouder- en nekklachten. Door de combinatie van elleboogklachten en de schouder- en nekklachten, is appellante meer beperkt dan door het Uwv aangenomen. Tot slot stelt appellante dat de rechtbank met de overweging dat door “ een andere orthopedisch chirurg is geconstateerd dat sprake is van een frozen elleboog (…) aan het vorenstaande niet af” doet, een voorschot heeft genomen op de uitkomst van een door appellante gedaan bewijsaanbod.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 22 mei 2011 in staat moet worden geacht om haar arbeid als agrarisch medewerkster te kunnen verrichten.

4.3. Allereerst wordt vastgesteld dat de betrokken verzekeringsartsen bij de beoordeling beschikten over een rapportage van de arbeidsdeskundige E.J. Gill van 13 april 2010. Daarin staan de aard en werkbelasting van de laatstelijk door appellante verrichte werkzaamheden beschreven. Nu door appellante niet is gesteld dat de beschreven werkzaamheden onjuist zijn weergegeven danwel dat de belasting van het werk zwaarder was dan waarvan door het Uwv is uitgegaan, is er geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsartsen geen juist beeld hebben gehad van aard en zwaarte van het werk van appellante.

4.4. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken - waaronder informatie van de behandelend huisarts van 12 september 2011, de reumatoloog van 25 januari 2011 en de orthopedisch chirurg van 18 augustus 2011 - zijn voldoende grondslag voor de onderbouwing het standpunt dat appellante geschikt te achten is voor haar werk. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 25 november 2011 en 22 december 2011 gereageerd op de in beroep aangevoerde gronden van appellante en daarbij inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante, ondanks haar elleboog-, schouder- en nekklachten, in staat wordt geacht haar eigen werk te verrichten. Appellant heeft in hoger beroep, ondanks de aankondiging daarvan in zowel beroep als hoger beroep, geen medische informatie overgelegd die haar stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat en dat zij niet in staat kan worden geacht om haar eigen werk te verrichten.

4.5. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 22 mei 2011 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

5. Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 overwogen is volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

EV