Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
12-1018 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Mede gezien de omschrijving van appellant van zijn werkzaamheden en de nadere toelichting hierop door de bezwaararbeidsdeskundige is het Uwv van de juiste maatstaf arbeid uitgegaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen aanleiding aanwezig was om nadere informatie bij de behandelend sector op te vragen. Voorts heeft deze arts op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom appellant ondanks zijn klachten op de datum in geding in staat geacht kan worden zijn eigen werk te verrichten. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1018 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2012, 11/7516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Yildiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yildiz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was via een Uitzendbureau werkzaam als tuinbouwmedewerker voor 40 uur per week. Op 16 november 2009 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met psychische klachten. In een later stadium zijn appellants klachten uitgebreid ten gevolge van een liesbreuk(operatie). Vanwege zijn ziekmelding is appellant door een verzekeringsarts op het spreekuur gezien, laatstelijk op 8 juli 2011. Naar aanleiding van zijn bevindingen uit dit spreekuuronderzoek heeft verzekeringsarts J.L. Vos appellant per 11 juli 2011 geschikt geacht voor zijn maatgevende arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellant bij besluit van 8 juli 2011 meegedeeld dat hij met ingang van 11 juli 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker, neergelegd in diens rapportage van 31 augustus 2011, - bij besluit van 31 augustus 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen, door het niet inwinnen van medische informatie bij de behandelend sector, onzorgvuldig te achten. Uit de onderzoeken zijn voor de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellant geldende beperkingen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts afgeleid kan worden dat deze bekend was met de werkzaamheden die appellant laatstelijk verrichtte en het feit dat appellant deze werkzaamheden diende te verrichten aan de lopende band. Aangezien namens appellant geen medische informatie is overgelegd op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met ingang van 11 juli 2011 in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker te verrichten.

3.1. In hoger beroep stelt appellant zich -samengevat- op het standpunt dat het door de bezwaarverzekeringsarts niet inwinnen van nadere informatie bij de behandelend sector als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. De brief van PsyQ van 17 maart 2010, waarop de bezwaarverzekeringsarts zijn onderzoek grotendeels gebaseerd heeft, is daarvoor niet geschikt nu appellant heeft aangegeven dat zijn psychische klachten nadien verergerd zijn. Daarnaast stelt appellant dat de belasting in zijn arbeid zwaarder is dan waarvan de bezwaarverzekeringsarts is uitgegaan. De belasting in zijn werk overschrijdt de voor hem geldende belastbaarheid.

3.2. In verweer stelt het Uwv -samengevat- dat uit het dossier niet valt af te leiden dat de psychische situatie van appellant verslechterd is. Ook valt niet af te leiden dat appellant daadwerkelijk zwaardere medicatie heeft gekregen vanwege een verslechtering. Aangezien de psychische situatie uit de beschikbare informatie bekend was en er geen aanwijzingen waren dat daarin een wijziging was gekomen, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geoordeeld dat opvragen van nadere informatie geen toegevoegde waarde zou hebben. Appellant heeft zelf een omschrijving van zijn werk gegeven en uit die informatie blijkt niet dat sprake was van sterke tijdsdruk en een dwingend hoge tempobelasting. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de artsen een juiste opvatting hadden over de belasting van het laatstelijk door appellant verrichte werk.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Ingevolge in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In casu betreft dit de werkzaamheden als tuinbouwmedewerker in de paprikateelt voor 40 uur per week.

4.3. De functie van tuinbouwmedewerker in de paprikateelt is een algemene en in ruime mate op de reguliere arbeidsmarkt voorkomende functie waarvan de belasting voor de artsen van het Uwv voldoende inzichtelijk is. Tijdens het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant, zoals blijkt uit het rapport van 31 augustus 2011, een omschrijving gegeven van het laatstelijk door hem verrichte werk. In hoger beroep is door de bezwaararbeidskundige R.J.C. Hogeveen een nadere toelichting gegeven op de in het werk voorkomende belastbaarheid. Mede gezien de omschrijving van appellant van zijn werkzaamheden en de nadere toelichting hierop door de bezwaararbeidsdeskundige is het Uwv van de juiste maatstaf arbeid uitgegaan.

4.4. Appellants standpunt dat het onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat geen recente medische informatie bij de behandelend sector is opgevraagd en zijn beperkingen mede hierdoor zijn onderschat wordt niet onderschreven. Uit de rapporten van 8 juli 2011 en 31 augustus 2011 van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat appellant door beide artsen op het spreekuur is gezien en zowel lichamelijk als psychisch onderzocht, waarbij met name onderzoek is verricht naar appellants klachten ten gevolge van de door hem ondergane liesbreukoperatie, hoge bloeddruk en psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen aanleiding aanwezig was om nadere informatie bij de behandelend sector op te vragen. Voorts heeft deze arts op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom appellant ondanks zijn klachten op de datum in geding in staat geacht kan worden zijn eigen werk te verrichten.

4.5. Nu appellant in hoger beroep, ondanks het verzoek van de Raad hiertoe, geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv, ten aanzien van zijn belastbaarheid, een onjuist standpunt hebben ingenomen en appellant meer beperkt is dan door deze artsen is aangenomen, is er geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

RK