Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
12-999 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een ZW-uitkering. Geen recht op een ZW-uitkering. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen kunnen volledig onderschreven worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/999 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 december 2011, 11/2674 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 15 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Knopper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2012. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Knopper. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als vrachtwagenchauffeur bij DHL voor 40 tot 48 uur per week. Op 1 december 2010 is appellant na een val uitgevallen met nekklachten, rechterschouderklachten, duizeligheid en misselijkheid. Appellant is in dat verband op 3 mei 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die appellant met ingang van 4 mei 2011 weer geschikt heeft geacht voor zijn werk van vrachtwagenchauffeur.

1.2. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 4 mei 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 4 mei 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 27 juni 2011 - bij besluit van

28 juni 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat de conclusies inzichtelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat de verzekeringsartsen de arbeidsmogelijkheden van appellant per 4 mei 2011 onjuist zouden hebben ingeschat. De rechtbank was voorts van oordeel dat de verzekeringsarts mag varen op zijn eigen oordeel en dat raadpleging van de behandelende sector in dit geval niet nodig was. Er is niet gebleken van een situatie waarin behandeling in gang is gezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van appellant tot het verrichten van arbeid dan wel dat appellant bij het onderzoek door de verzekeringsartsen heeft gesteld dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn medische beperkingen.

3. In hoger beroep heeft appellant onder overlegging van informatie van de huisarts van 14 november 2011, de anesthesist T.C. Lim van 14 september 2011 en de osteopaat B.L. van Engelen van 18 december 2011 aangevoerd dat de behandelende sector wel een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over zijn medische beperkingen. Appellant heeft verzocht om een onderzoek door een deskundige.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen kunnen volledig onderschreven worden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beide verzekeringsartsen tot hun bevindingen zijn gekomen op basis van een gerichte anamnese en lichamelijk onderzoek waarbij geen belangrijke functie-afwijkingen zijn vastgesteld. De in hoger beroep overgelegde informatie geeft in dat verband geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 5 april 2012. In deze rapportage geeft de bezwaarverzekeringsarts nogmaals aan dat er sprake is van aspecifieke klachten en dat er bij medisch onderzoek geen objectieve medische afwijkingen zijn vastgesteld die beperkingen rechtvaardigen. De bezwaarverzekeringsarts wijst er op dat de anesthesist Lim heeft vastgesteld dat er geen sprake is van compressie van het ruggenmerg zodat de door appellant ervaren klachten niet verklaard kunnen worden door deze holte in het ruggenmerg. Verder hebben de op de MRI van de cervicale wervelkolom vastgestelde degeneratieve afwijkingen op C6-C7 bij het ontbreken van klinische waarneembare tekenen van wortelprikkeling- of uitval géén pathologische betekenis. Dat er geen verband is tussen röntgenologische afwijkingen en de ernst van de klachten en de beperkingen wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts bevestigd door de osteopaat die in zijn brief van 18 december 2011 aangeeft dat röntgenonderzoek, EMG en MRI geen duidelijke bevindingen gaven. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er biologisch gezien aan het lichaam niets dat het hervatten van een normaal activiteitenpatroon in de weg staat, het stellen van willekeurige fysieke beperkingen moet dan ook worden vermeden. Er bestaat dan ook geen reden voor het raadplegen van een deskundige.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans

RK