Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
10-156 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor onder meer de betaling van een aantal openstaande nota’s bij de accountant. Afgewezen omdat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB. Voor betalingsachterstanden bij crediteuren wordt geen bijstand verstrekt. Niet gebleken dat hij voor de kosten in geding geen aflossingsregeling heeft kunnen treffen. Niet gebleken van een afgewezen verzoek tot verlening van een schuldsaneringskrediet, zodat hij alleen daarom al niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB en bovendien is ook geen sprake van zeer dringende redenen als daar bedoeld. Het ontbreken van verwijtbaarheid bij het ontstaan van een schuld, zo die al aanwezig zou zijn, vormt geen zeer dringende reden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 13, geldigheid: 2012-08-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/164

Uitspraak

10/156 WWB, 10/993 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2009, 09/447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 14 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een besluit van 4 februari 2010 ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. D. Osmic, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 16 juli 2008 heeft appellant aan betrokkene en zijn partner [W.] met ingang van 9 november 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden toegekend. Deze norm is verlaagd met tien procent van het netto minimumloon omdat de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander.

1.2. Op 19 augustus 2008 heeft betrokkene bijzondere bijstand gevraagd voor onder meer de betaling van een aantal openstaande nota’s bij accountant [V.]. Daarbij is een overzicht verstrekt van alle op 27 februari 2007 nog openstaande rekeningen tot een bedrag van € 1.265,27.

1.3. Bij besluit van 14 november 2008 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB. Voor betalingsachterstanden bij crediteuren wordt geen bijstand verstrekt.

1.4. Bij besluit van 20 januari 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het besluit van 14 november 2008 gehandhaafd onder wijziging van de motivering. De zinsnede over betalingsachterstanden is vervangen. Aan de afwijzing wordt nu ten grondslag gelegd dat krachtens artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB geen bijstand kan worden verstrekt, omdat betrokkene na het ontstaan van de schuldenlast beschikt of beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tevens kunnen de kosten krachtens het Handboek SoZaWe, onderwerp E/1000, onder 3, niet worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB omdat de aanvraag van 19 augustus 2008 is gebaseerd op een nota van 27 februari 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij in de periode waarin hij beschikte over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, deze middelen op een onjuiste wijze dan wel onverantwoord heeft besteed waardoor de schuld is ontstaan. Er staat immers niet vast dat betrokkene over de periode voorafgaand aan 9 november 2007 over voldoende middelen van bestaan beschikte. Om daarin inzage te verkrijgen, is volgens betrokkene nodig dat de openstaande rekening bij het accountantskantoor wordt voldaan. Hierom zijn het noodzakelijke kosten. De rechtbank stelt voorts vast dat appellant ten onrechte zich niet de vraag heeft gesteld of betrokkene in de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving geacht kan worden om de kosten van de nota uit deze middelen te voldoen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB zo heeft uitgelegd dat dit onderdeel ziet op schulden die zijn ontstaan in de periode dat een betrokkene recht heeft op bijstand en deze ook daadwerkelijk ontvangt. Appellant blijft van mening dat de factuur een schuld betreft die niet kan worden aangemerkt als noodzakelijke bestaanskosten in de zin van de WWB. Betrokkene heeft niet aangetoond dat hij ten tijde van het ontstaan van de schuld niet zou beschikken over de middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Het ontbreken van gegevens komt voor risico van betrokkene. Immers, op hem rust op grond van artikel 17 van de WWB de verplichting om bij de aanvraag het recht op bijzondere bijstand aannemelijk te maken. Nadien beschikte betrokkene over bijstand. De in artikel 49, aanhef en onder a, van de WWB vermelde mogelijkheid is niet aan de orde en uit de stukken noch uit het aangevoerde, vallen dringende redenen te herleiden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.

3.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 4 februari 2010 aan betrokkene bijstand toegekend in de vorm van leenbijstand tot een bedrag van € 1.265,27 voor de kosten van [V.] accountants.

4. Betrokkene heeft als verweer aangevoerd dat eerst bij besluit van 16 april 2008 aan hem de verplichting is opgelegd om financiële gegevens te overleggen, zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat de nota op dat moment ouder dan een jaar was. Hij heeft geen middelen om de nota te voldoen. Gelet op de hoogte van de nota kan hij niet geacht worden deze van de hem verleende bijstand te betalen. In de nieuwe beslissing op bezwaar zijn niet de ‘verbeterpunten’ opgenomen, zodat hiermee geen toepassing wordt gegeven aan de aangevallen uitspraak. Betrokkene blijft van mening dat het hier gaat om noodzakelijke bestaanskosten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het besluit van 4 februari 2010 wordt aangemerkt als een besluit dat op voet van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling dient te worden betrokken.

5.2. Niet is betwist dat het hier gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een schuld, omdat de kosten al voor de dag van de aanvraag bij de betrokkene in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan.

5.3. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang, is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. Artikel 48 en volgende van de WWB geven regels over de vorm van de bijstand.

5.4. Vaststaat dat betrokkene en [W.] vanaf 9 november 2007 bijstand ontvingen naar de voor hen geldende norm, zodat betrokkene al voorafgaand aan de aanvraag en ook nadien beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hij wordt daarmee in staat geacht deze schulden af te lossen. Niet is gebleken dat hij voor de kosten in geding geen aflossingsregeling heeft kunnen treffen. De Raad is met appellant van oordeel dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB een beletsel vormde voor de verlening van bijzondere bijstand ter betaling van deze schulden.

5.5 Appellant was voorts niet bevoegd om betrokkene met toepassing van artikel 49 aanhef en onder b, van de WWB niettemin bijstand te verlenen voor deze schulden. Niet is gebleken van een afgewezen verzoek tot verlening van een schuldsaneringskrediet, zodat hij alleen daarom al niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB en bovendien is ook geen sprake van zeer dringende redenen als daar bedoeld. Het ontbreken van verwijtbaarheid bij het ontstaan van een schuld, zo die al aanwezig zou zijn, vormt geen zeer dringende reden. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 7 juni 2010, LJN BM7227, eerder heeft overwogen moet er, gelet op het uitzonderingskarakter van deze bepaling en mede gelet op de bewoordingen ervan, sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus onvermijdelijk is. Niet is gebleken dat sprake is van schulden die betrokkene in zijn bestaansvoorziening bedreigden. Dat betrokkene alleen na voldoening van de betalingsachterstand kan voldoen aan de hem door appellant opgelegde verplichting, betreft, wat daar verder ook van zij, een omstandigheid die is gelegen in de risicosfeer van betrokkene.

5.6. Aangezien appellant in de omstandigheden van betrokkene terecht geen aanleiding heeft gevonden om met toepassing van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB aan hem in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f van die wet, bijzondere bijstand te verlenen ter voldoening van zijn schulden, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vorm waarin de bijstand moet worden verleend.

5.7. Uit 5.2 tot en met 5.6 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het besluit van 4 februari 2010 komen te ontvallen, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 4 februari 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H.D. Stout en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD