Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
11-1001 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Inkomsten uit arbeid. Niet nakomen inlichtingenverplichting. Terugwerkende kracht. Beleid op consistente wijze toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1001 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2010, 09/3603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. Fokker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fokker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die werkzaam is geweest als administratief medewerkster, is op 29 oktober 1996 uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 oktober 2001 is de arbeidsongeschiktheid herzien naar de klasse van 55 tot 65%. Bij besluit van 7 november 2007 is appellante meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd op 55 tot 65%.

1.2. In een rapport van 7 januari 2008 heeft de register-arbeidsdeskundige F. Bosscher geconcludeerd dat appellante vanaf 1 januari 2002 inkomsten heeft uit een dienstverband bij de Universiteit Utrecht voor 20 uur per week en dat deze inkomsten vanaf deze datum met toepassing van artikel 44 van de WAO moeten worden verrekend met de uitkering. Dit heeft geleid tot een aantal afzonderlijke besluiten van 18 februari 2009, waarbij, voor zover hier van belang, is vastgesteld dat appellante ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidklasse 55 tot 65%, maar de WAO-uitkering wordt uitbetaald als ware zij 45 tot 55% arbeidsongeschikt over de periode van 1 januari 2002 tot 1 september 2003 en als ware zij 35 tot 45% arbeidsongeschikt over de volgende periodes:

- van 1 september 2003 tot 7 november 2003;

- van 29 maart 2004 tot 2 augustus 2004;

- van 23 augustus 2004 tot 29 november 2004;

- van 8 december 2004 tot 15 maart 2007;

- vanaf 8 juli 2007.

2. Het door appellante tegen de in overweging 1.2 vermelde besluitvorming van het Uwv gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar ingevolge de WAO rustende inlichtingenverplichting doordat zij het Uwv niet spontaan heeft geïnformeerd over haar verdiensten bij de Universiteit Utrecht. Er zijn in haar dossier geen loongegevens van dit dienstverband aangetroffen. Voorts is het Uwv van mening dat appellante als gevolg van het niet nakomen van haar inlichtingenverplichting te veel uitkering heeft ontvangen en heeft het Uwv vastgesteld, onder verwijzing naar het bepaalde in de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking van uitkeringen (de Regeling), dat terecht met terugwerkende kracht toepassing is gegeven aan artikel 44 van de WAO. Een dringende reden om af te zien van de aanpassing van de uitkering met terugwerkende kracht heeft het Uwv niet aanwezig geacht.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij aangenomen dat appellante het Uwv wel op de hoogte heeft gesteld van haar dienstverband, maar niet volledig heeft geïnformeerd over haar loon en periodieke loonsverhogingen, terwijl het appellante duidelijk had kunnen zijn dat zij deze informatie diende te verstrekken. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van het met terugwerkende kracht toepassing geven aan artikel 44 van de WAO.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij het Uwv tijdig op de hoogte heeft gebracht van de omstandigheid dat zij met ingang van 1 januari 2002 bij de Universiteit van Utrecht is gaan werken. Verder heeft zij gesteld dat van relevante individuele loonsverhogingen geen sprake is geweest. Op haar salaris zijn slechts collectieve loonsverhogingen toegepast, die steeds zijn gebaseerd op indexcijfers. Omdat ook de WAO-uitkering wordt geïndexeerd hoefde appellante er redelijkerwijs niet vanuit te gaan dat die indexeringsverhogingen van invloed konden zijn op het recht op uitkering. Appellante heeft verder aangevoerd dat er sprake is van een dringende reden om van de in geding zijnde kortingen af te zien. Deze kortingen hebben naar haar mening onaanvaardbare financiële gevolgen voor haar gezin, nu zij als alleenstaande moeder de zorg heeft voor twee minderjarige kinderen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO houdt, voor zover hier van belang, in dat, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, zo lang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheiduitkering niet wordt ingetrokken of herzien, doch die uitkering niet wordt uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.

5.3. Niet in geding is dat appellante vanaf 1 januari 2002 naast haar uitkering inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 44 van de WAO heeft gehad. Zoals uit het vorenstaande blijkt spitst het geding zich toe op de vraag of het Uwv deze inkomsten met terugwerkende kracht met de uitkering heeft kunnen verrekenen.

5.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraken van 3 juni 2005, LJN AT7663 en 5 november 2008, LJN BG3717 - staat tekst noch strekking van artikel 44 van de WAO er in beginsel aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast.

5.5. Onder omstandigheden kan toepassing van artikel 44 van de WAO echter in strijd zijn met het beginsel van de rechtszekerheid, dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Voor de beantwoording van de vraag of zich dergelijke omstandigheden voordoen, zoekt het Uwv voor de periode van vóór 26 november 2006 aansluiting bij de Regeling en voor de periode daarna bij de met ingang van 26 november 2006 in werking getreden Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (de Beleidsregels). Daarbij is door het Uwv onderkend dat de Regeling en de Beleidsregels niet rechtreeks van toepassing zijn in de situatie dat het Uwv met toepassing van artikel 44 van de WAO inkomsten uit arbeid anticumuleert met de uitbetaling van een aan een verzekerde toegekende WAO-uitkering. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen - zie onder meer voormelde uitspraak van 5 november 2008 en de uitspraak van 2 september 2011, LJN BR7095 - dient het in de Regeling/Beleidsregels neergelegde beleid aangemerkt te worden als buitenwettelijk, begunstigend beleid en dient een dergelijk beleid terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

5.6. In zowel artikel 3 van de bijlage van de Regeling als in artikel 3 van de Beleidsregels is bepaald, dat, indien als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, de uitkering wordt herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan.

5.7. Het Uwv heeft op consistente wijze toepassing gegeven aan deze bepalingen. Anders dan appellante heeft gesteld, is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat appellante tijdig de inkomsten uit haar met ingang van 1 januari 2002 aanvaarde dienstverband bij de Universiteit Utrecht aan het Uwv heeft doorgegeven. Wat betreft de stelling van appellante dat uit de rapportage van arbeidsdeskundige De Boer van 4 juni 2007 blijkt dat het Uwv wel de beschikking had over de desbetreffende loonstroken, sluit de Raad aan bij wat de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Voorts is de Raad van oordeel dat de enkele omstandigheid dat appellante het Uwv op de hoogte heeft gesteld van dit dienstverband, hetgeen door het Uwv op zich ook niet wordt bestreden, haar niet heeft ontslagen van de verplichting om het Uwv te (blijven) informeren over de nadien uit dit dienstverband verkregen inkomsten, zoals deze wijzigden als gevolg van bijvoorbeeld aanpassingen op grond van periodieke aanpassingen in de CAO op basis van indexeringen. Het vorenstaande betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante als gevolg van het niet nakomen van de voor haar geldende inlichtingenverplichting te veel uitkering heeft ontvangen over de in de geding zijnde tijdvakken en dat het Uwv terecht met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO. Hieraan voegt de Raad toe dat de door het Uwv in de besluiten van 18 februari 2009 gehanteerde en bij het bestreden besluit gehandhaafde percentages door appellante niet zijn bestreden.

5.8. Gelet op de overwegingen 5.2 tot en met 5.7 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.9. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) L. van Eijndthoven

EV