Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
11-4745 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Niet verzekerd. Anders dan het Uwv heeft besloten moet betrokkene worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW. Tussen betrokkene en zijn werkgever was sprake van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben ook de intentie gehad een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene gedurende de eerste drie maanden van zijn dienstverband re-integratieactiviteiten heeft verricht daaraan niet kan afdoen. Dat betrokkene vanwege ziekte vervolgens niet of nauwelijks in staat is gebleken de bedoelde werkzaamheden uit te voeren leidt evenmin tot de conclusie dat reeds daarom geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst volgens het BW. Voor de beoordeling van de feitelijke uitvoering die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven komt betekenis toe aan het gegeven dat FTS/Baanplan, in overeenstemming met artikel 12 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, ook tijdens de arbeidsongeschiktheid van betrokkene tot het einde van het dienstverband het loon van betrokkene uit eigen middelen heeft doorbetaald en over dat loon loonbelasting en premies heeft ingehouden.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 3, geldigheid: 2012-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/265
RSV 2012/253

Uitspraak

11/4745 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2011, 10/586 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Betrokkene is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene is van 1990 tot en met 30 september 2008 in dienst geweest van TNT Post. Van oktober 2007 tot eind juni 2008 was hij vanwege hartklachten ongeschikt voor zijn werk als postbode/chauffeur. Met ingang van 1 oktober 2008 is betrokkene op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar in dienst getreden bij

re-integratiebedrijf Fourstar Total Solution B.V. (FTS) in de functie van algemeen medewerker en te werk gesteld bij Baanplan B.V., dat onderdeel uitmaakt van FTS. Betrokkene heeft in de eerste drie maanden bij FTS/Baanplan werkzaamheden verricht in het kader van re-integratieactiviteiten. Na die periode heeft betrokkene kennelijk niet of nauwelijks meer activiteiten verricht, doordat hij in toenemende mate last kreeg van hart gerelateerde klachten. Op 22 april 2009 is betrokkene vanwege ziekte volledig uitgevallen voor zijn werk bij FTS/Baanplan. Het dienstverband met FTS is per 1 oktober 2009 van rechtswege geëindigd.

1.3. Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft appellant de aanvraag van betrokkene voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) afgewezen omdat geen sprake was van persoonlijk te verrichten productieve arbeid bij FTS en betrokkene derhalve niet verzekerd was voor de ZW. Bij besluit van 4 februari 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2.1. Bij tussenuitspraak van 20 oktober 2010 heeft de rechtbank aan appellant de gelegenheid gegeven gebreken in het bestreden besluit te herstellen door verder onderzoek te verrichten naar het karakter van de beoogde werkzaamheden van betrokkene bij FTS/Baanplan.

2.2. Bij brief van 16 november 2010 heeft appellant nadere vragen gesteld aan FTS naar hetgeen partijen voor ogen stond bij het sluiten van de overeenkomst waarbij betrokkene in dienst is getreden bij FTS/Baanplan. Bij e-mail bericht van 3 februari 2011 zijn de vragen door FTS beantwoord. Bij brief van 21 februari 2011 heeft appellant de rechtbank bericht geen aanleiding te zien om terug te komen op het in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft daartoe uit de verklaring van de directeur a.i. van Baanplan in het e-mail bericht van 3 februari 2011 afgeleid dat het reeds bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling van partijen was dat betrokkene bode- c.q. koerierswerkzaamheden zou verrichten bij/voor FTS/Baanplan, tegen een door FTS/Baanplan uit eigen middelen te betalen loon. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat FTS/Baanplan en betrokkene hebben beoogd een overeenkomst te sluiten die grotendeels was gericht op het verrichten van normale werkzaamheden, die niet kunnen worden gekenschetst als re-integratieactiviteiten. Het feit dat betrokkene de eerste drie maanden na zijn indiensttreding wel dergelijke activiteiten heeft verricht, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat betrokkene in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot FTS/Baanplan en derhalve moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW.

3.1. Appellant heeft (samengevat) in hoger beroep gesteld dat niet is voldaan aan de geldende criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking om welke reden geen verzekeringsplicht in het kader van de werknemersverzekeringen kan worden aangenomen. Uit de overeenkomst met FTS/Baanplan blijkt naar het oordeel van appellant dat betrokkene zich ertoe verplichtte mee te werken aan re-integratieactiviteiten van FTS met de bedoeling om betrokkene aan een baan te helpen. Tot het verrichten van feitelijke arbeid is het nooit gekomen.

3.2. Betrokkene heeft in verweer volhard in zijn standpunt dat wel degelijk sprake is van arbeid in dienstbetrekking, dat appellant heeft miskend dat het bij de beoordeling of er sprake is van een arbeidsovereenkomst niet (alleen) relevant is of er daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht, maar of dit de bedoeling van partijen was. Met de rechtbank is betrokkene van mening dat daarvan in dit geval sprake was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil betreft de vraag of betrokkene kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Gelet op deze bepaling, voor zover hier van belang, is vereist dat betrokkene tot FTS/Baanplan in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Naar vaste rechtspraak van de Raad moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot betaling van loon.

4.2. Voor de vraag of betrokkene tot FTS/Baanplan in een zodanige privaatrechtelijke dienstbetrekking stond is maatgevend of tussen beiden sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (zie HR 17 februari 2012, LJN BU8926, en HR 25 maart 2011, LJN BP3887). Voorts is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie HR 14 november 1997, LJN ZC2495). In dit kader komt als eerste betekenis toe aan de tussen FTS als werkgever en betrokkene als werknemer, onder de titel ‘arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’, op 17 september 2008 gesloten overeenkomst. Deze overeenkomst bevat bepalingen op grond waarvan betrokkene per 1 oktober 2008 als werknemer in dienst is getreden van FTS. Blijkens artikel 1 (indiensttreding) en artikel 2 (duur van de overeenkomst) van de overeenkomst betreft het een dienstverband voor de duur van twaalf maanden op basis van een 37-urige werkweek. Artikel 3 (functie) verplicht de werknemer tot het persoonlijk verrichten van al die werkzaamheden, die in de uitoefening van zijn functie redelijkerwijs van hem verlangd kunnen worden. Artikel 4 bevat bepalingen inzake het overeengekomen salaris. Hetgeen partijen voor ogen stond bij het sluiten van deze overeenkomst blijkt uit de - door appellant onweersproken - verklaring van de directeur a.i. van Baanplan dat het de bedoeling was dat betrokkene binnen twee tot drie maanden na zijn indiensttreding voor rekening van FTS/Baanplan werkzaamheden zou gaan verrichten als bode/koerier, voor welke functie een vacature bestond bij FTS/Baanplan. Partijen wilden derhalve een arbeidsovereenkomst aangaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene gedurende de eerste drie maanden van zijn dienstverband re-integratieactiviteiten heeft verricht daaraan niet kan afdoen. De Raad merkt daarbij op dat de overeenkomst een looptijd van twaalf maanden kent, terwijl de vergoeding van TNT Post voor re-integratieactiviteiten minder bedraagt dan het equivalent van drie overeengekomen maandsalarissen. Dat betrokkene vanwege ziekte vervolgens niet of nauwelijks in staat is gebleken de bedoelde werkzaamheden uit te voeren leidt evenmin tot de conclusie dat reeds daarom geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst volgens het BW. Voor de beoordeling van de feitelijke uitvoering die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven komt betekenis toe aan het gegeven dat FTS/Baanplan, in overeenstemming met artikel 12 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, ook tijdens de arbeidsongeschiktheid van betrokkene tot het einde van het dienstverband het loon van betrokkene uit eigen middelen heeft doorbetaald en over dat loon loonbelasting en premies heeft ingehouden.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 en 4.2 is overwogen moet betrokkene worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.

6. Appellant dient te worden veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 437,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-;

- bepaalt dat van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 454,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

EV