Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
11-64 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning Wet WIA-uitkering. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Appellant heeft in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat hij op dat moment meer beperkingen had. Geconcludeerd moet worden dat de voor appellant per einde wachttijd vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden. Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde zijn de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/64 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 november 2010, 10/2178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. Broos, advocaat, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Klinkert, kantoorgenoot van mr. Broos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is met ingang van 22 november 2006 gaan werken als bedrijfsleider productie interieurbouw. Op 25 april 2007 is hij uitgevallen vanwege klachten van psychische aard. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellant onderzocht door de verzekeringsarts J.F.P. ten Kortenaar, die in haar rapport van 17 april 2009 heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van beperkingen als gevolg van psychische klachten (depressieve persoonlijkheidstoornis). Met inachtneming van deze beperkingen heeft zij een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Aangezien zij van mening was dat appellant als gevolg van zijn psychische klachten ook reeds bij aanvang van zijn werk als bedrijfsleider beperkingen had, heeft zij tevens een FML opgesteld waarin de belastbaarheid van appellant per 22 november 2006 is vastgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige C.J. Bronk in zijn rapport van 26 mei 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant per einde wachttijd op 21 april 2009 niet meer geschikt was voor zijn eigen werk van bedrijfsleider, maar nog wel geschikt voor een negental andere functies. Op basis van drie van de hoogst verlonende van deze functies heeft hij berekend dat er een verlies aan verdienvermogen van 28,16% was. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 23 juli 2009 meegedeeld dat voor hem met ingang van 22 april 2009 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2.1. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij nog niet hersteld is van zijn psychische klachten (burn-out). Daarnaast heeft hij gesteld dat hij ook fysieke klachten (rugklachten) heeft. Hij is dan ook van mening dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Voorts heeft hij bezwaren geuit tegen de voor hem geselecteerde functies. Deze lijken te veel op elkaar en de functie van operator acht hij niet geschikt omdat hij niet voldoet aan de voor deze functie vastgestelde functie-eisen.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten heeft, nadat hij informatie had opgevraagd bij de behandelend psycholoog J.L. van der Burgh, zich in zijn op 28 september 2009/30 november 2009 gedateerde rapport kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML’s. De bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk is in zijn rapport van 7 december 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant bij aanvang van zijn werk als bedrijfsleider ongeschikt was voor dit werk. Bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de arbeidsdeskundige dan ook ten onrechte het werk van bedrijfsleider als maatman aangemerkt. Voorts is hij tot de conclusie gekomen dat slechts vijf van de negen voor appellant geselecteerde functies geschikt voor hem zijn. Op basis van drie geschikt geachte en alsdan hoogst verlonende functies, te weten productiemedewerker metaal en elektro (met sbc-code 11171), magazijn/expeditiemedewerker (met sbc-code 111220) en wikkelaar/samensteller (met sbc-code 267050), heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd berekend op eveneens minder dan 35%, waarbij hij als maatmanloon heeft gehanteerd het uurloon van de functie van magazijn/expeditiemedewerker. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellant bestreden dat hij van meet af aan ongeschikt is geweest voor zijn werk als bedrijfsleider. Voorts heeft hij gesteld, evenals in bezwaar, dat hij in aanmerking dient te komen voor een urenbeperking.

3.2. In haar rapport van 11 februari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts S.N. Erk-Raes onder meer te kennen gegeven dat zij geen aanleiding zag voor een urenbeperking. Voorts is de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 6 september 2010 tot de conclusie gekomen dat in plaats van de functie van magazijn/expeditiemedewerker de functie van monteur kozijnen, kisten en pallets met sbc-code 262230 als maatman dient te worden aangemerkt. Daarbij heeft hij aangegeven dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor de voor appellant bij einde wachttijd vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse.

4. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak niet kunnen verenigen met het door het Uwv bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat appellant reeds bij aanvang van zijn werk als bedrijfsleider ongeschikt was voor dit werk. Dit heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering, hetgeen in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om deze reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zich daarentegen wel kunnen verenigen met beperkingen zoals die voor appellant per einde wachttijd door het Uwv zijn vastgesteld en met de geschiktheid van de functies zoals die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Vervolgens heeft de rechtbank op basis van deze functies, waarbij in overeenstemming met het rapport van de arbeidsdeskundige van 26 mei 2009 als maatman is gehanteerd de functie van bedrijfsleider, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd berekend op eveneens minder dan 35%. Deze uitkomst is voor de rechtbank aanleiding geweest om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen en beslissingen gegeven over proceskosten en vergoeding van griffierecht.

5.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Daarbij heeft hij, evenals eerder in de procedure, naar voren gebracht dat hij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij informatie ingebracht van de homeopathische arts H. Reijnen van 29 september 2009 en zijn huisarts van 22 februari 2011. Voorts heeft hij de Raad verzocht een deskundige in te schakelen.

5.2. In een rapport van 3 maart 2011 heeft verzekeringarts Van Erk-Raes gereageerd op de door appellant in hoger beroep ingediende gronden en ingebrachte medische informatie.

6.1. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd terecht is vastgesteld op minder dan 35%. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend en daartoe wordt het volgende overwogen.

6.2. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Daarbij is in overweging genomen dat beide artsen appellant hebben gezien en dat zij de beschikking hebben gehad over informatie uit de behandelende sector. Voorts is de Raad op grond van de beschikbare medische gegevens niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen de beperkingen van appellant per einde wachttijd hebben onderschat. Appellant heeft in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat hij op dat moment meer beperkingen had. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij in aanmerking dient te komen voor een urenbeperking wordt verwezen naar het in beroep ingebrachte rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes van 11 februari 2010, waarin dit standpunt - onder beargumentering van het ontbreken van energetische beschikbaarheids of preventieve redenen daarvoor - in voldoende mate is weerlegd. Het door deze verzekeringsarts in haar rapport van 3 maart 2011 ingenomen standpunt ten aanzien van de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie kan evenmin voor onjuist worden gehouden. Voor het inschakelen van een deskundige wordt al met al geen aanleiding gezien. Geconcludeerd moet worden dat de voor appellant per einde wachttijd vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde FML is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 december 2009 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. De Raad kan zich eveneens verenigen met de wijze waarop de rechtbank de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd heeft berekend.

6.4. Gelet op de overwegingen in 6.2 en 6.3 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

6.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

JL