Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
10-3467 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het doet niet ter zake of appellant ten tijde van zijn werkzaamheden hier te lande ingezetene van Nederland was. De Svb is ervan uitgegaan dat dit niet het geval was. Ook indien appellant wel als ingezetene moest worden aangemerkt, is hij na zijn vertrek naar Marokko in verband met de tijdelijke onderbreking van zijn werkzaamheden in elk geval op grond van artikel 7 van KB 164 verzekerd gebleven voor de volksverzekeringen. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/262

Uitspraak

10/3467 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010, 09/739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 27 mei 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. De enkelvoudige kamer heeft voorts besloten het geding naar een meervoudige kamer te verwijzen.

De Svb heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is opnieuw behandeld op een meervoudige zitting van de Raad op 22 juni 2012. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens en J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1962, is afkomstig uit Marokko. Hij is van 14 mei 1992 tot en met 31 december 1992 door werkzaamheden in Nederland verzekerd geweest voor de volksverzekeringen. Voorts blijkt uit de beschikbare gegevens dat appellant van 23 september 1996 tot en met 13 maart 1998, met onderbrekingen, via een uitzendbureau in Nederland werkzaam is geweest. Appellant heeft van 12 mei 1997 tot 14 augustus 1998 ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie te [plaatsnaam]. Per de laatste datum is hij ambtshalve uit die administratie verwijderd. Appellant is naar Marokko teruggekeerd.

1.2. Eind 2007 is aan appellant - na een bezwaarprocedure - met terugwerkende kracht tot

14 maart 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In mei 2008 heeft appellant zich tot de Svb gewend met het verzoek hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 3 juli 2008 heeft de Svb appellant bericht dat hij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW omdat hij zich niet heeft aangemeld binnen een jaar na het einde van zijn verplichte verzekering.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2009 (besluit 1) heeft de Svb appellants bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 23 februari 2009 (besluit 2) heeft de Svb besluit 1 ingetrokken en appellants bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en zijn beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2008, LJN BD0036. Het hoger beroep richt zich tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2.

3. In hoger beroep heeft de Svb desgevraagd zijn standpunt nader omschreven in het licht van de uitspraak van de Raad van 19 november 2010, LJN BO6448. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant nimmer ingezetene van Nederland is geweest. Hij was verzekerd voor de volksverzekeringen op grond van zijn werkzaamheden in Nederland. Nadat hij deze werkzaamheden had beëindigd en kort nadien naar Marokko was teruggekeerd, is deze verzekering naar het oordeel van de Svb geëindigd. Artikel 7 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164) was niet op appellant van toepassing nu het hier geen tijdelijke onderbreking maar een beëindiging van zijn werkzaamheden in Nederland betrof. De Svb wijst er in dit verband op dat aan de tijdelijkheid in dit artikel - en in het overeenkomstige, voordien geldende artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 557 (KB 557) - een maximum is gesteld en dat een limitatieve opsomming is gegeven van de oorzaken van werkonderbreking.

4.1. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f van KB 557 was bepaald dat als verzekerde voor - kort gezegd - de volksverzekeringen wordt aangemerkt:

“degene, die buiten het Rijk woont en ziekengeld ontvangt hetzij krachtens de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet, hetzij ingevolge een regeling bij ziekte, welke geldt voor degenen, wier arbeidsverhouding ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a, der Ziektewet, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd.”

4.2. Per 1 juli 1989 is KB 557 vervangen door KB 164. Artikel 7 van KB 164 luidt als volgt.

“Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen blijft degene, die niet in Nederland woont, maar die uitsluitend in Nederland arbeid verricht en van wie de arbeid tijdelijk wordt onderbroken

a. wegens ziekte, moederschap, ongeval of werkloosheid, of

b. wegens betaald verlof, staking of uitsluiting.”

4.3. Artikel 8 van KB 164 luidt, voor zover hier van belang:

“1. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek recht had op

a. een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89),

2. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene, die niet in Nederland woont en recht heeft op een uitkering, een pensioen of een toelage, genoemd in het eerste lid, indien dat recht aansluit op de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen dan wel op de vrijwillige verzekering ingevolge artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet, en mits die uitkering, dat pensioen of die toelage ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.

...”

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Uit de beschikbare gedingstukken blijkt niet of aan appellant ter zake van zijn in maart 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid destijds dan wel met terugwerkende kracht ziekengeld op grond van de Ziektewet is toegekend. Nu dit, anders dan onder KB 557, voor de uitkomst van dit geding niet van belang is, ziet de Raad geen aanleiding daarnaar nader onderzoek te doen.

5.3. Op grond van artikel 7 van KB 164 is voor de beoordeling of appellant vanaf zijn vertrek uit Nederland verplicht verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen van belang of sprake was van een tijdelijke onderbreking als in dat artikel bedoeld. Een belangrijke aanwijzing voor de strekking van artikel 7 van KB 164 kan worden gevonden in de Nota van Toelichting bij het Besluit uitbreiding van beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, Stb. 1998, 746 (KB 746). Aan de toelichting bij artikel 6 van KB 746, dat een vergelijkbare bepaling als artikel 7 van KB 164 bevat, is het volgende ontleend.

“Het wordt niet zinvol geacht dat de verplichte verzekering eindigt in geval van korte onderbrekingen van het werk en weer wordt hervat na afloop van die onderbrekingen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van perioden van ziekte. Artikel 6 heeft daarom tot doel de verplichte verzekering op grond van de volksverzekeringen te continueren gedurende de periode dat de niet-ingezetene niet in staat is hier te lande arbeid te verrichten. Aan de tijdelijkheid wordt geen maximum gesteld. Wel is een limitatieve opsomming gegeven van de oorzaken van de werkonderbrekingen.

Naar de omstandigheden zal moeten worden beoordeeld of de werkzaamheden weer worden hervat. Uit de formulering van artikel 6 volgt dat gedurende de ziekte niet noodzakelijkerwijs sprake moet zijn van loondoorbetaling bij ziekte of van een ziekengelduitkering. Zelfstandigen zouden daardoor in het algemeen niet in Nederland verzekerd blijven. Ook in geval van wachtdagen loopt de verzekering in Nederland door. De na een periode van ziekte ingegane arbeidsongeschiktheid of overlijden na ziekte doet ons inziens aan de tijdelijkheid van de ziekte niets af.”

Uit deze overwegingen van de regelgever kan worden afgeleid dat deze het oog heeft gehad op een tijdelijke onderbreking onder andere ten gevolge van ziekte, waarbij de bedoeling was dat de werkzaamheden zo mogelijk zullen worden hervat, welke tijdelijke onderbreking de duur van het - toen geldende - ziektewetjaar kon omvatten. Het enkele feit dat appellant gedurende het ziektewetjaar is teruggekeerd naar Marokko, doet aan het tijdelijke van een onderbreking als in artikel 7 van KB 164 bedoeld, niet af. Ook indien geen sprake is geweest van toekenning van ziekengeld, is appellant derhalve gedurende het ziektewetjaar verzekerd gebleven voor de volksverzekeringen, waarna zijn verzekering - achteraf bezien - tot

1 januari 2000 heeft voortgeduurd op grond van de hem met terugwerkende kracht toegekende WAO-uitkering.

5.4. Nu appellant tot 1 januari 2000 verzekerd is gebleven voor de volksverzekeringen, verschilt het voorliggende geding niet wezenlijk van dat geval dat aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 19 november 2010, LJN BO6448. Dat wil zeggen dat appellants verzoek om hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering AOW en ANW weliswaar te laat is ingediend, maar dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn hem niet kan worden tegengeworpen. Voor de aard van deze omstandigheden wordt verwezen naar genoemde uitspraak.

5.5. Voor de uitkomst van dit geding doet niet ter zake of appellant ten tijde van zijn werkzaamheden hier te lande ingezetene van Nederland was. De Svb is ervan uitgegaan dat dit niet het geval was. Ook indien appellant wel als ingezetene moest worden aangemerkt, is hij na zijn vertrek naar Marokko in verband met de tijdelijke onderbreking van zijn werkzaamheden in elk geval op grond van artikel 7 van KB 164 verzekerd gebleven voor de volksverzekeringen.

5.6. Het onder 5.2 tot en met 5.5 overwogene voert tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2 ongegrond is verklaard. Dat besluit moet worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep ertegen. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip verzekerde. Derhalve zal de Raad bepalen dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

23 februari 2009 ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 februari 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt de Svb op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

RK