Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
12-3710 WIA-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Van de zijde van verzoekster zijn in het geheel geen stukken in het geding gebracht die kunnen dienen ter onderbouwing van haar stelling met betrekking tot haar dreigende financiële noodsituatie. Bovendien is onweersproken ter zitting namens het Uwv gesteld dat verzoekster met ingang 28 juli 2012 een WGA-vervolguitkering inclusief toeslag ontvangt van totaal € 1.095,77 per maand. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3710 WIA-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 8 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2012. Voor verzoekster is verschenen R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 11 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar het besluit van 18 juli 2011 gehandhaafd waarbij verzoekster is meegedeeld dat haar verzoek om vergoeding van loonschade over de periode 28 oktober 2010 tot 28 april 2011 wordt afgewezen.

3. Bij de aangevallen uitspraak van 24 mei 2012 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In haar verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het Uwv wordt veroordeeld tot het op en na 28 juli 2012, gedurende de duur van een jaar, vergoeden van de schade van verzoekster ter hoogte van een Werkhervattingsuitkering Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) over die periode met een uitkeringspercentage van 70% van het dagloon verminderd met een nog toe te kennen WGA-vervolguitkering.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2008 (LJN BF6776), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.3. Namens verzoekster is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoekster als gevolg van nalatig handelen van het Uwv jegens haar, zij met ingang van 28 juli 2012 aangewezen is op een WGA-vervolguitkering, berekend op 35% van het wettelijke minimumloon waardoor zij in financiële problemen dreigt te komen.

5.4. De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

5.5. Verzoekster is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door haar verzochte voorlopige voorziening. Van doorslaggevende betekenis hierbij is dat van de zijde van verzoekster in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht die kunnen dienen ter onderbouwing van haar stelling met betrekking tot haar dreigende financiële noodsituatie. Bovendien is onweersproken ter zitting namens het Uwv gesteld dat verzoekster met ingang 28 juli 2012 een WGA-vervolguitkering inclusief toeslag ontvangt van totaal € 1.095,77 per maand.

5.6. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

EV