Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
10-3347 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. De onrechtmatigheid van het besluit van 27 juli 2006 van het college en de toerekening daarvan aan het college staan tussen partijen vast. Vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente is niet aan de orde. Voor een vergoeding van schade, zoals appellant heeft gesteld, bestaat geen grond, reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3347 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 mei 2010, 09/856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak op 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft het college een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lemmens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

L.B.W. Heuts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 augustus 2003 als kunstenaar een uitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK).

1.2. Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college de WWIK-uitkering met ingang van 28 juli 2006 beëindigd. Bij besluit van 6 april 2007 heeft het college het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 februari 2008 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 april 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 27 juli 2006 herroepen. Bij uitspraak van 10 juni 2008, LJN BD3965, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor beëindiging van de uitkering was voldaan. Van 26 juni 2007 tot 29 juni 2008 heeft het college aan appellant weer een uitkering ingevolgde de WWIK verstrekt.

1.3. Namens appellant heeft mr. Lemmens het college bij brief van 3 september 2008 verzocht om schadevergoeding. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij de ontwikkeling van zijn beroepspraktijk als kunstenaar niet heeft kunnen voortzetten als gevolg van het feit dat hij over de periode van 28 juli 2006 tot en met 25 juni 2007 geen WWIK-uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft zijn schade gesteld op € 7.469,--. Dit is het bedrag dat hij toen aan inkomsten heeft verworven met de uitoefening van zijn beroepspraktijk. Hij heeft deze inkomsten toen moeten aanwenden voor zijn levensonderhoud en niet kunnen investeren.

1.4. Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 24 april 2009 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 6 januari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden die in direct verband staat met het stopzetten van de uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij de stelling dat appellant zich als gevolg van het besluit van 27 juli 2006, waarbij de uitkering werd beëindigd, onvoldoende heeft kunnen ontwikkelen als kunstenaar niet bewezen acht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij als gevolg van de beëindiging van zijn uitkering rechtstreeks schade heeft geleden. Hij was immers gedwongen middelen aan te wenden voor zijn levensonderhoud. Daardoor kon hij niet investeren, geen nieuw materiaal kopen en geen publiciteit geven aan zijn werk. Bij voortzetting van de uitkering zou op grond van de WWIK wel rekening zijn gehouden met zijn beroepskosten. Appellant heeft zijn kunstenaarschap en de mogelijkheid om daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien niet verder kunnen ontwikkelen. Ter staving van zijn kredietbehoefte verwijst appellant naar het in 2008 aan hem op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 verleende krediet van € 8.000,--.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De onrechtmatigheid van het besluit van 27 juli 2006 van het college en de toerekening (in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daarvan aan het college staan tussen partijen vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 11 januari 2012, LJN BV0954) is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 december 2011, LJN BU7806) zijn de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering in beginsel terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die gemaakt zijn als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Artikel 6:119 van het BW normeert de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Hoewel de rechtbank bij de uitspraak van 19 februari 2008 het besluit van 27 juli 2006, waarbij de WWIK-uitkering van appellant met ingang van 28 juli 2006 is beëindigd, heeft herroepen, heeft dit niet geleid tot een nabetaling van die uitkering aan appellant. Daaraan ligt kennelijk ten grondslag de opvatting van partijen dat na de verlening van de WWIK-uitkering aan appellant over de periode van 26 juni 2007 tot 29 juni 2008 de maximum uitkeringsduur van die uitkering was bereikt. Om die reden is een vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente niet aan de orde.

4.3. Voor een vergoeding van schade, zoals appellant heeft gesteld, bestaat geen grond, reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit van 27 juli 2006. Appellant heeft niet geconcretiseerd welke nadelige gevolgen zijn ontstaan als gevolg van het feit dat hij over de periode van 28 juni 2006 tot en met 25 juni 2007 geen WWIK-uitkering heeft ontvangen. Zijn toelichting ter zitting dat hij zich noodgedwongen heeft moeten toeleggen op activiteiten als kunsteducator en dat hij mogelijke vervolgopdrachten heeft gemist na een tentoonstelling van zijn werk begin 2007 is daartoe onvoldoende. Appellant heeft het gestelde verlies aan productiviteit als kunstschilder niet kunnen onderbouwen.

4.4. Ook de bij het verzoek gevoegde berekening van inkomsten uit de beroepspraktijk van appellant van € 7.469,-- in de periode van juli 2006 tot juli 2007 kan geen grondslag vormen voor zijn verzoek om schadevergoeding. Het niet kunnen hebben investeren of doen van uitgaven voor beroepskosten kan op zichzelf beschouwd immers niet worden aangemerkt als schade. Dat appellant inkomensschade heeft geleden, heeft hij niet gesteld. Het moeten terugbetalen van het onder 3 genoemde krediet staat in een te ver verwijderd verband tot het besluit van 27 juli 2006 om te kunnen worden aangemerkt als door dat besluit veroorzaakte schade.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD