Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
12-731 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. De enkele verklaring van appellant vormt in dit geval onvoldoende feitelijke grondslag voor de vaststelling dat appellant en de moeder gedurende de periode in geding op een zodanig wijze van hun woningen gebruik hebben gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken. Het bestreden besluit berust daardoor op een ondeugdelijke grondslag en kan niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/731 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011, 11/5481 en 11/5491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 8 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L.I. Meekel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. van Hoof, kantoorgenoot van mr. Meekel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 15 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Op 14 juni 2011 is appellant vader geworden van een dochter. De moeder van zijn dochter (moeder) staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2. Naar aanleiding van de melding van de geboorte van de dochter van appellant heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft appellant op 16 augustus 2011 tegenover twee handhavingspecialisten een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een ambtelijk verslag van 25 augustus 2011, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 26 augustus 2011 de bijstand van appellant met ingang van 16 augustus 2011 in te trekken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met de moeder en dat het gezamenlijke inkomen hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm.

1.3. Bij besluit van 9 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter (rechtbank) het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant en de moeder gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, dat de schriftelijke weergave van de door appellant op 16 augustus 2011 afgelegde verklaring onjuist en onvolledig is, dat appellant deze verklaring onder druk heeft getekend en dat hij dan ook niet aan deze verklaring kan worden gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 16 augustus 2011 tot en met 26 augustus 2011.

4.2. Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de bijstandsgerechtigde belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het college rust.

4.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.

4.4. Vaststaat dat uit de relatie van appellant en de moeder een kind is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding is om die reden bepalend of appellant en de moeder hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.6. Van de zijde van het college is ter zitting erkend dat de conclusie dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf uitsluitend berust op de door appellant op 16 augustus 2011 afgelegde verklaring, en dan met name op het volgende citaat: “Gemiddeld slaapt de moeder van mijn kind twee à drie dagen per week op mijn adres. Dit is niet sinds de bevalling, tijdens de kraamperiode heeft zij in haar eigen bed geslapen. Ikzelf logeer (zelf) twee à drie nachten op het adres van de moeder van mijn kind, als mijn kind daar ook is”.

4.7. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij aanvang van het gesprek op 16 augustus 2011 heeft verzocht het gesprek met een audio-recorder op te nemen, hetgeen is geweigerd. De verklaring van appellant is tijdens het gesprek door de handhavingspecialisten op schrift gesteld, aan appellant voorgelezen en door appellant per pagina ondertekend. Op 14 september 2011 heeft appellant een klacht ingediend tegen het verloop van het gesprek op 16 augustus 2011, de duur van het gesprek, de wijze waarop de verklaring is opgesteld en de druk die op hem is uitgeoefend om de verklaring te ondertekenen. Tevens heeft hij in deze klacht afstand genomen van de op schrift gestelde verklaring.

4.8. De enkele verklaring van appellant vormt in dit geval onvoldoende feitelijke grondslag voor de vaststelling dat appellant en de moeder gedurende de periode in geding op een zodanig wijze van hun woningen gebruik hebben gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken. In dit verband is van belang dat die verklaring uiterst summier is, dat het onder 4.6 genoemde citaat voor meerderlei uitleg vatbaar is, dat appellant de juistheid en volledigheid van de verklaring heeft bestreden en dat er geen sprake is van enig ondersteunend bewijs. Tevens heeft het college ten onrechte geen aandacht besteed aan de schriftelijke verklaring van de moeder van 19 oktober 2011, herhaald op 7 december 2011, waarin zij stelt dat de op schrift gestelde verklaring van appellant geen juiste weergave van de werkelijkheid betreft. Volgens haar slapen zij en appellant veel minder vaak samen dan waarvan het college uitgaat.

4.9. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag en kan dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 26 augustus 2011 te herroepen nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Het college zal worden veroordeeld in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en € 874, in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 november 2011;

-herroept het besluit van 26 augustus 2011;

-veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.622,--;

-bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD