Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX4027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
11/387 IOAW + 11/388 IOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Ioaw-uitkering. De uitkering wordt blijvend geweigerd naar een mate dat het inkomen dat appellante had kunnen verwerven als zij was blijven werken. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van appellante, zonder dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd. Er is geen grond voor het oordeel dat het eindigen van de dienstbetrekking appellante niet in overwegende mate kan worden verweten.

Wetsverwijzingen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers 20, geldigheid: 2012-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/260

Uitspraak

11/387 IOAW, 11/388 IOAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 december 2010, 10/456 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [appellante] te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak 7 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 augustus 2011 en bij faxbericht van 14 juni 2012 heeft mr. Manspeaker op het verweerschrift gereageerd en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Munster.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op eigen verzoek per 31 mei 2009 haar parttime dienstbetrekking (20 uur per week) bij haar toenmalige werkgever [naam werkgever] opgezegd.

1.2. Appellant ontving tot en met 1 januari 2010 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. In verband met de beëindiging van die uitkering per 2 januari 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) met ingang van die datum.

1.3. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het dagelijks bestuur aan appellanten met ingang van 2 januari 2010 een Ioaw-uitkering toegekend. Daarbij is meegedeeld dat is besloten de uitkering op grond van artikel 20, aanhef en eerste lid, onder b, van de Ioaw blijvend te weigeren met het inkomen dat appellante had kunnen verwerven als zij was blijven werken bij [naam werkgever].

1.4. In het kader van haar re-integratie is appellante aangemeld voor een medisch arbeidsdeskundige keuring. Zij is op 21 januari 2010 medisch onderzocht en mede op grond van de informatie van de medisch adviseur is op 25 januari 2010, na een medisch arbeidsdeskundig onderzoek, een medisch arbeidsdeskundige rapportage opgesteld.

1.5. Bij besluit van 22 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat van appellante mocht worden verwacht dat zij pogingen zou hebben ondernomen om haar werk te behouden. Het dagelijks bestuur is voorts van oordeel dat het ontslag van appellante haar in overwegende mate verweten kan worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd, onder overlegging van onder meer een brief van 19 september 2008 van de internist-oncoloog, A. de Jager, en brieven van 22 januari 2010 en 1 februari 2010 van de huisarts van appellante, F. Quispel, dat appellante op grond van medische en sociale redenen haar dienstbetrekking heeft beëindigd en dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellante in de periode van het ontslag, die een enorme impact hebben gehad op haar geestelijke en lichamelijke welzijn en bij haar keuze voor het ontslag een belangrijke rol hebben gespeeld. Verder bestrijden appellanten het oordeel van de rechtbank dat appellante niet in samenspraak met haar werkgever zou hebben gezocht naar een oplossing.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ioaw, zoals deze bepaling ten tijde hier in geding luidde, is bepaald dat het college de uitkering blijvend weigert naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. Vaststaat dat appellante op eigen verzoek per 31 mei 2009 haar dienstbetrekking bij haar toenmalige werkgever [naam werkgever] heeft opgezegd. Uit de gedingstukken, waaronder de onder 1.4 genoemde medisch arbeidsdeskundige rapportage van 25 januari 2010 en de onder 3 genoemde door appellanten ingebrachte brieven van de internist-oncoloog en de huisarts, komt naar voren dat appellante in de periode van ontslagname kampte met klachten van overbelasting ten gevolge van medische en sociale omstandigheden, zoals appellantes zorg voor haar schizofrene dochter, een uitgebreide voorgeschiedenis van borstkanker bij appellante en een uitgebreide cardiovasculaire voorgeschiedenis bij appellant.

4.3. Het dagelijks bestuur heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van appellante, zonder dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd. Het had in de eerste plaats op de weg van appellante gelegen om in samenspraak met haar werkgever te zoeken naar een minder vergaande oplossing: bijvoorbeeld minder werken, eventueel met een aangepast takenpakket, of tijdelijk helemaal niet werken. Appellante heeft haar stelling, dat zij voorafgaande aan het ontslag in overleg met haar werkgever alternatieve mogelijkheden heeft onderzocht, ook in hoger beroep niet met bewijsstukken onderbouwd en de gedingstukken bieden voorts geen steun voor die stelling. Dat andere mogelijkheden dan ontslag in overleg met de werkgever niet zijn onderzocht klemt te meer nu uit de eerdergenoemde medisch arbeidsdeskundige rapportage van 25 januari 2010 naar voren komt dat de klachten van overbelasting bij appellante niet blijvend van aard waren.

4.4. Verder is van belang dat in de meergenoemde medisch arbeidsdeskundige rapportage van 25 januari 2010, mede op basis van de conclusies van de medisch adviseur, weliswaar wordt geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een structurele vermindering van de benutbare mogelijkheden ten aanzien van het kunnen verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek, maar tevens, dat uitgaande van de door de medisch adviseur aangegeven belastbaarheid en rekening houdend met opleiding en arbeidsverleden, appellante wel zou kunnen werken in lichte werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen uit de functionele mogelijkhedenlijst met een maximum van 20 uur per week.

4.5. Zonodig had appellante verder nog gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om zich (tijdelijk) ziek te melden en/of contact te zoeken met een bedrijfsarts. Appellante heeft erkend dat zij ook deze mogelijkheden niet heeft benut. De consequenties van het feit dat appellante, zoals ter zitting aangevoerd, de gevolgen van haar ziekte niet op de werkgever wilde afwentelen, dienen voor rekening en risico van appellanten te blijven.

4.6. Als appellante in onzekerheid had verkeerd over hetgeen door haar kon worden ondernomen in de situatie waarin zij in de periode van het ontslag verkeerde, had zij zich voor nadere informatie kunnen verstaan met (een arbeidsdeskundige van) de Regionale Sociale Dienst of het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen in plaats van zonder meer ontslag op eigen verzoek te nemen.

4.7. Er is, gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, voorts geen grond voor het oordeel dat het eindigen van de dienstbetrekking appellante niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.8. Hetgeen appellanten overigens in hoger beroep hebben aangevoerd bevat, in vergelijking met hetgeen zij in beroep hebben aangevoerd, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.P.M. Zeijen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

RK