Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
09-5824 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering berust op goede gronden. Geen verblijfsvergunning. Verbod op het toepassen van dringende redenen bij niet-Nederlanders. De vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan in het kader van de WWB in het midden blijven. Het in de koppelingswetgeving gemaakte onderscheid naar nationaliteit is verenigbaar met de non-discriminatie voorschriften zoals die zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM. Het beroep op artikel 11 van het Europees Sociaal Handvest treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5824 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2009, 09/2225 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 7 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012. Voor appellant is verschenen mr. W.G. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1997 en in het bezit van de Surinaamse nationaliteit, is in 1998 naar Nederland gekomen om een gecompliceerde rugoperatie te ondergaan. Tijdens een kijkoperatie in november 1998 is appellant vanaf zijn middel verlamd geraakt. Sindsdien is hij in Nederland. Hij kampt met meerdere medische problemen. Indien appellant niet in het ziekenhuis of revalidatiecentrum verblijft, woont hij bij zijn moeder en wordt hij door familie en vrienden financieel ondersteund. Zijn aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘medische behandeling’ zijn bij besluiten van 30 augustus 2010 door de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie, afgewezen. Tegen deze besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 25 oktober 2010 (10/30483 AWB en 10/30484 AWB) de voorlopige voorziening getroffen dat appellant niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

1.2. Op 11 maart 2009 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) bij het college ingediend. Bij besluit van 2 april 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet beschikt over een vergunning tot verblijf in de zin van artikel 11 van de WWB en dat artikel 16, tweede lid, van de WWB het toepassen van dringende redenen bij niet-Nederlanders uitdrukkelijk verbiedt.

1.3. Bij besluit van 14 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en - samengevat - aangevoerd dat door hem wel een rolstoel te verstrekken, maar geen algemene bijstand, hij geen invulling kan geven aan zijn ‘private life’ als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met het discriminatieverbod als neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 11 maart 2009 tot en met

2 april 2009.

4.2. Niet in geding is dat appellant tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellant onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

4.3.Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 november 2011, LJN BU6844) merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt, kan sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat een positieve verplichting op de Staat rust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Vergelijk het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Vergelijk in verband met dat laatste het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05.

Indien sprake is van een dergelijke positieve verplichting, dient niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Gelet op het primaat van de wetgever, en om een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Indien ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Daarom kan de vraag of appellant is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden blijven.

4.4. Het beroep op het in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM vervatte non-discriminatiebeginsel slaagt evenmin. De Raad wijst er op dat hij reeds in vele uitspraken heeft geoordeeld dat het in de koppelingswetgeving gemaakte onderscheid naar nationaliteit verenigbaar is met de non-discriminatie voorschriften zoals die zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM.

4.5. Ook het beroep van appellant op artikel 11 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) treft geen doel. Deze bepaling kan niet een ieder verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet (Gw). Bij deze vaststelling zijn zowel de bewoordingen als de strekking van deze bepaling in aanmerking genomen alsmede hetgeen ter zake in algemene zin in de memorie van toelichting bij de wet tot goedkeuring van het ESH is opgemerkt. In artikel 11 van het ESH is sprake van een algemeen omschreven sociale doelstelling waaraan geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen.

4.6. De omstandigheid dat appellant kennelijk, zoals ter zitting is toegelicht, sinds drie maanden een financiële verstrekking ontvangt van € 420,-- per maand kan niet leiden tot de conclusie dat het college in weerwil van de onder 4.2 genoemde bepalingen van de WWB toch tot bijstandsverlening gehouden is.

4.7. Voor zover appellant ten slotte, gelet op hetgeen op de zitting naar voren is gebracht, met zijn hoger beroep beoogt een formalisering te krijgen van deze financiële verstrekking, stelt de Raad vast dat dit buiten de omvang van dit geding valt.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. Dit betekent tevens dat er geen ruimte is voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) N.M. van Gorkum

HD