Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
11-2181 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Er is ook geen reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de namens appellante ingebrachte medische gegevens geen grond bevatten om meer, medisch geobjectiveerde, beperkingen aan te nemen. De grond van appellante dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan de vordering van appellante tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar slaagt. Vernietiging aangevallen uitspraak in zoverre. Nu het primaire besluit niet is herroepen is er geen grondslag voor een veroordeling in deze kosten. Deze vordering moet dus worden afgewezen. Ook het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2181 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 maart 2011, 10/62 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012.

Namens appellante is verschenen Van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante die in februari 1999 wegens psychische klachten ongeschikt is geworden voor haar werk als agogisch medewerkster, ontving sinds 2 februari 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke met ingang van 15 april 2005 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In januari 2008 is appellante drie dagen per week via een uitzendbureau gaan werken als telefonisch/receptioniste bij [inlener] te [verstigingsplaats]. Op 8 december 2008 is zij wegens klachten van vermoeidheid ongeschikt geworden voor deze arbeid. Naar aanleiding hiervan is aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2. Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 24 augustus 2009 beëindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.

3. Bij besluit van 9 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2009 ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, omdat daaraan geen functieomschrijving van het werk van appellante aan ten grondslag lag.

4.2. De rechtbank heeft echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand gelaten. Hierbij heeft de rechtbank allereerst overwogen dat in beroep een bezwaararbeidsdeskundige onderzoek heeft verricht naar de werkzaamheden van appellant en bij rapport van 3 november 2010 een omschrijving van haar functie heeft gegeven. Naar aanleiding hiervan heeft een bezwaarverzekeringsarts op 4 november 2010 geconcludeerd dat het werk van appellante binnen haar vaardigheden en bekwaamheden viel. De rechtbank was van oordeel dat het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest, nu deze arts zich een goed beeld heeft kunnen vormen van de medische situatie van appellante door eigen onderzoek en daarnaast informatie van de behandelend sector bij de beoordeling heeft betrokken. Uit de verschillende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts heeft de rechtbank afgeleid dat appellante ondanks haar beperkingen geacht werd op 24 augustus 2009 weer op hetzelfde niveau te functioneren als voor haar uitval op 8 december 2008, zodat voldoende is komen vast te staan dat zij vanaf dat moment weer geschikt was haar werk te verrichten.

5. Appellante heeft onder verwijzing naar reeds in bezwaar en beroep overgelegde stukken de in beroep aangevoerde grond herhaald dat zij op de datum in geding meer beperkingen had dan van de zijde van het Uwv onder verwijzing naar een op 28 december 2004 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangenomen en dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van de daarbij vastgestelde beperkingen, zij per 24 augustus 2009 niet in volle omvang geschikt was voor haar arbeid.

6.1. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen heeft na onderzoek van appellante en kennisneming van informatie van de behandelend sector, in een rapport van 30 november 2009 voldoende overtuigend uiteengezet dat appellante op de datum in geding beperkingen had, overeenkomend met de in het verleden opgestelde FML. Er is ook geen reden voor twijfel aan het standpunt van deze bezwaarverzekeringsarts dat de namens appellante ingebrachte medische gegevens geen grond bevatten om meer, medisch geobjectiveerde, beperkingen aan te nemen.

6.2. Het - door appellante niet bestreden - arbeidskundig rapport van 3 november 2010 geeft weer welke belastende aspecten waren verbonden aan het werk van appellante. Deze vallen volgens de bezwaarverzekeringsarts - ook wat betreft daarbij dagelijks voorkomende administratieve taken - binnen de belastbaarheid van appellante. De werktijd van 8,5 uur per dag op drie dagen in de week overschrijdt evenmin de belastbaarheid van gemiddeld tenminste 8 uur per dag en tenminste 40 uur per week, zoals van de zijde van het Uwv is vastgesteld.

6.3. Ook de beroepsgrond gericht tegen de hoogte van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van het Uwv in de proceskosten slaagt niet, nu de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als gemiddeld heeft aangemerkt.

6.4. Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan de vordering van appellante tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Deze beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Nu het besluit van 19 augustus 2009 niet is herroepen is er gelet op artikel 7:15 van de Awb geen grondslag voor een veroordeling in deze kosten. Deze vordering moet dus worden afgewezen. Ook het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

7. Er is aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep

Mitsdien moet worden beslist als volgt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij niet is beslist over de proceskosten in bezwaar;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,-, te betalen door het Uwv;

-bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €153,-, vergoedt;

- wijst de vordering tot veroordeling van het Uwv in de proceskosten in bezwaar af;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) E.Heemsbergen

EV