Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
10-3435 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De door het college gevraagde gegevens zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Door de gevraagde gegevens niet te verstrekken heeft het college niet de mogelijkheid gehad te beoordelen of appellante nog (volledig) recht op bijstand heeft. Het college was bevoegd tot intrekking van de bijstand. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot intrekking van de bijstand mocht overgaan. Maatregel. Verlaging bijstand. Het college heeft er bij het bestreden besluit aan voorbij gezien dat appellante vanaf 27 juli 2009 als gevolg van de intrekking van de bijstand al geen recht op bijstand meer had. Dit betekent dat vanaf 27 juli 2009 geen maatregel meer kon worden opgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand kan blijven. Vernietiging van het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2009 ongegrond is verklaard. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het besluit van 30 juli 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3435 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 juni 2010, 09/1249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak 7 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 23 januari 2012 heeft mr. B. van Dijk, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde voor appellante gesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 juni 2012. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Sinds 9 mei 2009 verrichtte appellante voor gemiddeld vier uur per week werkzaamheden als toiletjuffrouw in een horecagelegenheid. Appellante is in juni 2009 wegens verdenking van diefstal op staande voet ontslagen.

1.1. In verband met (onder meer) een onderzoek naar haar uitkeringssituatie is appellante bij brief van 21 juli 2009 opgeroepen voor een gesprek bij de Dienst Sociale Werkvoorziening (DSW) op 27 juli 2009. Appellante diende onder meer een ontslagbewijs en/of getuigschrift van haar werkgever, alle loonspecificaties vanaf mei 2009, afschriften van alle bank-, giro-, en spaarrekeningen vanaf 2009 en een medische verklaring van haar arts mee te nemen. Appellante is zonder opgave van reden niet verschenen.

1.2. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ingaande 27 juli 2009 opgeschort. Daarbij is appellante verzocht zich op 30 juli 2009 te melden bij de DSW en tevens de al eerder opgevraagde bewijsstukken en een kopie van het proces-verbaal betreffende de diefstal bij haar werkgever mee te nemen. Appellante heeft aan die oproep voldaan, maar heeft niet alle gevraagde stukken ingeleverd.

1.3. Bij brief van 30 juli 2009 is appellante verzocht de loonspecificatie van juni 2009, afschriften van alle bank-, giro, en spaarrekeningen vanaf 1 mei 2009 en een kopie van het proces-verbaal inzake de diefstal uiterlijk vóór 7 augustus 2009 in te leveren. Appellante is daarbij meegedeeld dat als zij niet uiterlijk vóór 7 augustus 2009 alsnog de ontbrekende bewijsstukken inlevert, haar bijstand wordt beëindigd. Appellante heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.4. Bij besluit van 30 juli 2009 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2009 voor de duur van een maand met 100% verlaagd, omdat zij door eigen toedoen werkloos is geworden.

1.5. Bij besluit van 14 augustus 2009 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 27 juli 2009 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

1.6. Bij besluit van 23 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelenverordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.

Besluit 2 (intrekking)

4.1. Vaststaat dat appellante tegen het besluit van 28 juli 2009, waarbij haar recht op bijstand met ingang van 27 juli 2009 is opgeschort, geen bezwaar heeft gemaakt.

4.2. Aan de orde is of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het door het college bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit tot intrekking van de bijstand ingaande 27 juli 2009 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden. Hierbij staat ter beoordeling of appellante verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellante hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of stukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn(en) redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3. De door het college bij het besluit van 28 juli 2009 gevraagde gegevens, voor zover het daarbij gaat om de loonspecificatie van juni 2009 en alle afschriften van de bank-, giro- en spaarrekeningen, zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Door de gevraagde gegevens niet te verstrekken heeft het college niet de mogelijkheid gehad te beoordelen of appellante nog (volledig) recht op bijstand heeft.

4.3.1. Vaststaat dat appellante deze gegevens, ondanks herhaalde verzoeken niet heeft ingeleverd. Niet is gebleken dat zij niet binnen de daarvoor gestelde hersteltermijnen over deze gegevens heeft kunnen beschikken. Zij heeft evenmin uitstel gevraagd of verlenging verzocht van de haar gegeven termijnen. De stelling van appellante dat zij de brief van 21 juli 2009 niet heeft ontvangen kan hier, nog daargelaten dat zij tegen het besluit van 28 juli 2009 niet is opgekomen, niet aan afdoen omdat appellante na de bij het opschortingsbesluit gestelde termijn, nogmaals in de gelegenheid is gesteld de gevraagde gegevens in te leveren.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3.1 volgt dat aan de voorwaarden van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand per 27 juli 2009. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet tot intrekking van de bijstand mocht overgaan.

Besluit 1 (maatregel)

4.5. De Raad stelt met appellante vast dat het college er bij het bestreden besluit aan voorbij heeft gezien dat appellante vanaf 27 juli 2009 als gevolg van de intrekking van de bijstand al geen recht op bijstand meer had. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie CRvB 19 juni 2007, LJN BA8305) verzet de systematiek van de WWB zich ertegen dat, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, een verlaging van de bijstand wordt toegepast over een periode dat geen recht op bijstand (meer) bestaat. Dit betekent dat vanaf 27 juli 2009 geen maatregel meer kon worden opgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand kan blijven.

5. Uit 4.5 gestelde volgt dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 18 van de WWB, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit 1 ongegrond is verklaard. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien en besluit 1 te herroepen.

6. Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat van na te betalen bijstand geen sprake is.

7. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 437,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat geen aanleiding, omdat geen sprake is van aan het college te wijten onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden besluit van 30 juli 2009. Dit besluit is namelijk genomen voordat de bijstand van appellante werd ingetrokken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 23 november 2009 voor zover het betreft het besluit van 30 juli 2009;

-herroept het besluit van 30 juli 2009;

-bepaalt dat deze uitspraak in zovere in de plaats treedt van het besluit van 23 november 2009;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.311,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) N.M. van Gorkum

HD