Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
10-3087 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van [d. R.] heeft gehad. Er is geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van een tegenover de sociaal rechercheur afgelegde en door de appellant ondertekende verklaring. Anders dan appellant kennelijk meent, is er geen grond om de zich in het dossier bevindende, in maart 2007 tegenover de politie afgelegde, verklaringen in dit geding buiten beschouwing te laten. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant ook in de periode vanaf 1 februari 2002 tot 21 september 2002 hoofdverblijf heeft gehad in de woning van [d. R.]. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit voor zover het betreft de (mede)terugvordering van de ten behoeve van [d. R.] gemaakte kosten van bijstand in de periode van 1 februari 2002 tot 21 september 2002. Het college krijgt de opdracht een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het primaire beslui, voor zover daarbij de gemaakte kosten van bijstand van de aan [d. R.] in genoemde periode verleende bijstand mede van hem zijn teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 10/3087 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 april 2010, 09/1195 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 7 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/3102 WWB, plaatsgevonden op 26 juni 2012, waar voor appellant is verschenen mr. A.Z. van Braam, kantoorgenoot van mr. Bakker. Het college is met bericht niet verschenen. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft aan [E.] met ingang van 1 oktober 1999 bijstand verleend, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. [E.] heeft volgens de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van 25 november 1999 tot 2 september 2003 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] en vanaf 2 september 2003 op het adres [adres 2].

1.2. Appellant ontving vanaf 27 juli 2003 tot en met 31 mei 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft volgens de GBA vanaf 3 juli 2002 op een viertal andere adressen ingeschreven gestaan.

1.3. Uit de relatie van appellant en [E.] zijn twee kinderen geboren, op [geboortedatum] en [geboortedatum]. Beide kinderen zijn door appellant erkend.

1.4. Naar aanleiding van een tweetal anonieme meldingen dat appellant zou samenwonen met de moeder van zijn twee kinderen, [E.] heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en [E.] verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, zijn diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn appellant en [E.] verhoord en hebben diverse buurtbewoners/getuigen verklaringen afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 augustus 2009.

1.5. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 20 juli 2009 de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 27 juli 2003 tot en met 31 mei 2004. Bij dat besluit heeft het college tevens de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.233,13 van appellant teruggevorderd. Met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, heeft het college voorts de over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 mei 2009 ten behoeve van [E.] gemaakte kosten van bijstand (tot een bedrag van € 107.923,09) tevens van appellante teruggevorderd, in totaal derhalve een bedrag van € 116.156,22. Het college heeft daarbij overwogen dat appellant en [E.], zonder dat daarvan melding is gemaakt bij het college, vanaf 1 februari 2002 een gezamenlijke huishouding in de woning van [E.] hebben gevoerd op (achtereenvolgens) de adressen [adres 1] en [adres 2].

1.6. Bij besluit van 2 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 20 juli 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. Aangezien uit de relatie van appellant en [E.] twee kinderen zijn geboren, die door appellant zijn erkend, is het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB van toepassing. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of appellant en [E.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, bepalend is of zij in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van [E.], op de in 1.1 genoemde adressen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in de in geding zijnde periode geen hoofdverblijf gehad in dezelfde woning als [E.]. Zowel appellant als [E.] hebben verklaard dat zij niet samenwoonden. Hun verklaringen zijn selectief geciteerd en uit hun verband gehaald. Aan de verklaringen die in maart 2007 tegenover de politie zijn afgelegd, kan in deze procedure geen specifieke betekenis toekomen. Verder is aangevoerd dat de tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen van [E.] onder ontoelaatbare druk tot stand zijn gekomen. Ook de overige onderzoeksbevindingen vormen onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat uit de relatie van appellant en [E.] op [geboortedatum] en [geboortedatum] twee kinderen zijn geboren, die door appellant zijn erkend. Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, is in dit geval voor de vaststelling of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en [E.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.2.1. Behoudens hetgeen in 4.3 is overwogen, bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant zijn hoofdverblijf in de woning van [E.] heeft gehad. Appellant heeft weliswaar ontkend dat hij vóór medio 2008 zijn hoofdverblijf in de woning van [E.] had, maar op 29 maart 2007 heeft hij in verband met de vondst van een vuurwapen in de woning [adres 2] verklaard dat hij na de levering (in 2002) dat wapen in de schuur van zijn woning in de [adres 1] heeft gelegd en daarna bij hem thuis in de [adres 2] onder het bed opgeborgen. Op 30 maart 2007 heeft appellant de woning aan De [adres 2] als zijn (t)huis genoemd. [E.] heeft op 29 maart 2007 tijdens een politieverhoor verklaard dat zij samenwoont met appellant in hun woning aan [adres 2]. Bij haar inverzekeringstelling op 28 mei 2009 heeft [E.] verklaard dat zij enkele jaren samenwoont met [A.]. Tevens heeft zij tijdens haar verhoor op 28 mei 2009 tegenover de sociaal rechercheurs verklaard dat appellant vanaf 2002, na de geboorte van hun jongste dochter, bij haar in de woning zijn hoofdverblijf heeft.

4.2.2. In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten om in dit geval van die hoofdregel af te wijken. Niet gebleken is dat de door [E.] ondertekende gedetailleerde verklaringen onder ontoelaatbare druk tot stand zijn gekomen of dat deze in essentie geen juiste weergave bevatten van wat zij tegenover deze rechercheurs heeft verklaard. Opgemerkt wordt dat deze verklaringen door [E.] zijn doorgelezen, op enkele punten gecorrigeerd en aangevuld, waarna zij heeft verklaard daarbij te volharden. Ten slotte is van belang dat zij elke bladzijde van haar verklaring afzonderlijk heeft ondertekend.

4.2.3. Anders dan appellant kennelijk meent, is er geen grond om de zich in het dossier bevindende, in maart 2007 tegenover de politie afgelegde, verklaringen in dit geding buiten beschouwing te laten. Hoewel in deze verhoren niet de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding aan de orde was, hebben appellante en [A.] voldoende duidelijk in feitelijke zin over hun woonsituatie verklaard.

4.3. Het hiervoor onder 4.2.1 tot en met 4.2.3 neergelegde oordeel betreft in ieder geval de gehele periode vanaf [geboortedatum] (de geboorte van de jongste dochter van appellant en [E.]) tot en met 31 mei 2009. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant ook in de periode vanaf 1 februari 2002 tot [geboortedatum] hoofdverblijf heeft gehad in de woning van

[E.] op het adres [adres 1]. Weliswaar heeft appellant verklaard dat hij in 2002 het vuurwapen in de schuur van zijn woning aan de [adres 1] heeft gelegd, maar daartegenover staat de verklaring van [E.] dat appellant eerst sinds de geboorte van hun oudste dochter bij haar woont. Aan de verklaringen van de buurtbewoners/getuigen van [adres 1] kan geen doorslaggevende betekenis worden gehecht. Geen van deze verklaringen bevat concrete feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat appellant in deze periode zijn hoofdverblijf had in de woning van [E.]. Daarom bieden de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant en [E.] in de periode van 1 februari 2002 tot 21 september 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 27 juli 2003 tot en met 31 mei 2004 in te trekken en tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode over te gaan. Over de periode van 1 februari 2002 tot

21 september 2002 is echter niet voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Voor de periode vanaf 21 september 2002 is wel aan die voorwaarden voldaan, zodat het college bevoegd was om tot (mede)terugvordering van de over de periode van 21 september 2002 tot en met 31 mei 2009 ten behoeve van [E.] gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Daarbij merkt de Raad op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden gezien, nu dat uitmondt in één daarin te vermelden bedrag aan teruggevorderde bijstand.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd voor zover het betreft de (mede)terugvordering van de ten behoeve van[E.] gemaakte kosten van bijstand in de periode van 1 februari 2002 tot 21 september 2002. Het college zal tevens worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 2009, voor zover daarbij de gemaakte kosten van bijstand van de aan [E.] in genoemde periode verleende bijstand mede van hem zijn teruggevorderd.

4.5. In dit geval bestaat geen ruimte voor het doen van een tussenuitspraak inzake de terugvordering en de medeterugvordering. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in beroep begroot op de helft van € 874,-- voor verleende rechtsbijstand, nu de Raad de beroepen van appellante en [E.] beschouwt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op dezelfde grond worden ook de kosten in hoger beroep voor appellant begroot op datzelfde bedrag, in totaal dus

€ 874,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 juli 2009 voor zover het betreft de (mede)terugvordering;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.P.M. Zeijen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoger Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.