Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
10/2843 WWB + 10/3514 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking bijstand en terugvordering. Niet in geschil is dat appellante door de werkzaamheden niet bij het bestuur te melden de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Anders dan het bestuur aanneemt, is gelet op de voorhanden informatie wel aannemelijk dat appellante voor het eerst vanaf februari 2007, na het overlijden van de moeder van [Z.], werkzaamheden voor [Z.] heeft verricht. Dat appellante op 2 december 2008 heeft verklaard sinds “ongeveer twee jaar geleden” schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in het pension biedt onvoldoende grondslag om aan te nemen dat zij reeds vanaf 1 december 2006 die werkzaamheden verrichtte. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Niet is gebleken van ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezeggingen namens het bestuur dat appellante wat betreft de terugvordering zou kunnen volstaan met een betaling van € 10.000. Ten tijde van de terugvordering is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Vernietiging aangevallen uitspraak behoudens de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. Vernietiging van het bestreden besluit en het besluit dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking hebben op de periode 1 december 2004 tot 1 februari 2007 en de terugvordering. Het bestuur krijgt de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2843 WWB-R, 10/3514 WWB-R

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 april 2010, 09/1465 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (bestuur)

Datum uitspraak 7 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het bestuur een besluit van 12 mei 2010 in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.B. Visser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellante zwarte inkomsten zou hebben als huishoudelijke hulp heeft de Sociale Recherche Fryslân een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht, is diverse instanties, waaronder de Dienst Wegverkeer, om inlichtingen verzocht, is appellante verhoord en hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 december 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 17 februari 2009 de bijstand over de perioden van 1 december 2004 tot en met 31 december 2007 en van 14 juni 2008 tot en met 31 oktober 2008 in te trekken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 45.272,93 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante in die perioden werkzaamheden heeft verricht waarvan zij geen mededeling heeft gedaan. Zij heeft evenmin een administratie van deze werkzaamheden bijgehouden, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 3 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2009 onder wijziging van de datum 31 oktober 2008 in 30 november 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat besluit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december 2004 tot 1 december 2006 en voor zover dat besluit ziet op de terugvordering, bepaald dat het bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt omtrent het recht op aanvullende bijstand over de periode van 1 december 2004 tot 1 december 2006 en bepaald dat het bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt inzake de terugvordering met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden voor [d. J.] en [d. W.], gelet op de afgelegde verklaringen, voldoende zijn komen vast te staan. Over de werkzaamheden voor [Z.] heeft appellante onvoldoende duidelijkheid verschaft, zodat in ieder geval vanaf 1 december 2006 appellante er niet in is geslaagd de omvang van de werkzaamheden te bewijzen.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

4.1. In hoger beroep heeft appellante zich slechts gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de werkzaamheden bij de familie [Z.]. Ten onrechte zou de rechtbank hebben overwogen dat de werkzaamheden van appellante voor deze familie vanaf eind december 2006 zijn verricht.

4.2. Niet in geschil is dat appellante door de werkzaamheden niet bij het bestuur te melden de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3. Appellante is daarin voor het overgrote deel niet geslaagd. Doorslaggevend voor dit oordeel zijn de verklaringen van appellante en [Z.], die niet consistent zijn. Appellante heeft op 2 december 2008 verklaard dat zij sinds ongeveer twee jaar schoonmaakwerkzaamheden verricht in pension [naam pension] van [Z.], maar niet meer wist hoe vaak, misschien tien, twintig, dertig keer. In bezwaar komt appellante op deze verklaring terug. [Z.] heeft op 1 december 2008 verklaard dat appellante geen werkzaamheden heeft verricht, maar weleens op haar moeder paste. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure op 13 mei 2009 heeft [Z.] echter weer verklaard dat appellante naast het schoonmaken van de vakantiehuisjes op [naam eiland] ook werkzaamheden heeft verricht in haar pension en ook wel privéwerkzaamheden voor haar heeft verricht. Ten slotte heeft appellante een getekende verklaring van [Z.] van 11 juli 2010 overgelegd, waarin [Z.] verklaart dat appellante haar in het pension in 2007 twee maal heeft geholpen en in 2008 vier maal in verband met bijzondere omstandigheden. Gelet op deze wisselende verklaringen is niet duidelijk geworden hoe vaak appellante in het pension werkzaamheden heeft verricht. Anders dan het bestuur aanneemt, is gelet op de voorhanden informatie echter wel aannemelijk dat appellante voor het eerst vanaf februari 2007, na het overlijden van de moeder van [Z.], werkzaamheden voor [Z.] heeft verricht. Dat appellante op 2 december 2008 heeft verklaard sinds “ongeveer twee jaar geleden” schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in het pension biedt onvoldoende grondslag om aan te nemen dat zij reeds vanaf 1 december 2006 die werkzaamheden verrichtte. In zoverre slaagt het hoger beroep.

Het besluit van 12 mei 2010

4.4. Bij besluit van 12 mei 2010 heeft het bestuur ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2009 deels gegrond verklaard en de bijstand over de periode van 1 december 2004 tot 1 december 2006 herzien, de bijstand over de perioden van 1 december 2006 tot 1 januari 2008 en van 14 juni 2008 tot en met

30 november 2008 ingetrokken en de terugvordering beperkt tot € 24.777,15. Ook zijn de kosten van appellante in bezwaar vergoed. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

4.5. Tegen het besluit van 12 mei 2010 heeft appellante geen specifieke gronden aangevoerd. De Raad stelt vast dat dit besluit strookt met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het beroep tegen dit besluit gegrond moet worden verklaard voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007 en de terugvordering van de bijstand over die maanden. Hierin ligt tevens besloten dat de - in beroep door appellante naar voren gebrachte, maar door de rechtbank niet besproken - grond van appellante dat haar destijds de toezegging zou zijn gedaan dat zij in het kader van de terugvordering kon volstaan met een storting van € 10.000,--. niet slaagt. Immers niet is gebleken van ondubbelzinnige, onvoorwaardelijke toezeggingen namens het bestuur dat appellante wat betreft de terugvordering zou kunnen volstaan met een betaling van € 10.000,--. De gedingstukken bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Het rapport levensonderhoud van S. Hol van

20 januari 2009, waarnaar appellante verwijst, geeft slechts aan dat rekening zal moeten worden gehouden met de sociale omstandigheden van appellante, onder andere de (extra) zorg voor de kleinkinderen in dezelfde periode. Voor zover appellante tevens heeft betoogd een beroep te doen op dringende redenen op grond waarvan geheel of ten dele van terugvordering moet worden afgezien, slaagt dat beroep niet. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak (CRvB 29 maart 2005, LJNAT2869) slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Ten tijde van de terugvordering is niet gebleken van dergelijke dringende redenen.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007 en op de terugvordering. De beroepen tegen het bestreden besluit en het besluit van 12 mei 2010 zullen gegrond worden verklaard en die besluiten zullen worden vernietigd, voor zover deze betrekking hebben op de intrekking van de bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007 en op de terugvordering. De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 17 februari 2009, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007. Een en ander betekent het volgende. Over de periode van 1 januari 2004 tot 1 december 2006 is de bijstand van appellante reeds herzien. Ook over de maanden december 2006 en januari 2007 wordt de bijstand herzien overeenkomstig de berekeningen die als bijlage bij het besluit van

12 mei 2010 zijn gevoegd. Over de maanden december 2006 en januari 2007 dient voor de daarbij in aanmerking te nemen inkomsten te worden uitgegaan van € 228,-- per maand. Over de perioden van 1 februari 2007 tot 1 januari 2008 en van 14 juni 2008 tot en met 30 november 2008 is het bestuur bevoegd tot intrekking van de bijstand. Het bestuur dient nog slechts de hoogte van de terugvordering van de kosten van bijstand voor zover die ten onrechte zijn gemaakt vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit en is een bestuurlijke lus niet nodig.

6. Aanleiding bestaat het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten worden begroot op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de

bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007 en op de terugvordering;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juni 2009 gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 juni 2009 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand

over de maanden december 2006 en januari 2007 en op de terugvordering;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 mei 2010 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand

over de maanden december 2006 en januari 2007 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 17 februari 2009 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking

van de bijstand over de maanden december 2006 en januari 2007 en bepaalt dat de bijstand

over die periode wordt herzien overeenkomstig de in overweging 5 van deze uitspraak

genoemde bijlage en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 12 mei 2010;

- bepaalt dat het bestuur met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar

neemt wat betreft de terugvordering;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het bestuur aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van E. van Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E. Heemsbergen

HD