Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
11-2349 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek de afkoopsom van de aanspraak op een ontslaguitkering uit te keren. Appellante wordt niet gevolgd in haar opvatting dat de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften niet onafhankelijk is. Dat een lid van de commissie het college vertegenwoordigt in de (hoger) beroepsprocedure is daarom niet in strijd met de Awb. De uitleg van een vaststellingsovereenkomst (VO), in het bijzonder wanneer niet gezegd kan worden dat de tekst van een bepaling daarvan in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, komt niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de VO is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De opvatting van appellante over het opbouwen van een aanspraak dan wel een recht op een WW-uitkering vindt geen steun in de WW. Appellante heeft geen recht op een ontslaguitkering en daarom behoort afkoop van die uitkering evenmin tot de mogelijkheden. Uit de stukken die in de aanloop naar de VO zijn geproduceerd en uit de overige bepalingen van de VO kan worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen was om het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden van appellante tot 1 februari 2010 te garanderen voor het geval zij voor of per die datum een baan zou hebben aanvaard. Dat geval doet zich hier voor. Uitsluitend in het - niet opgetreden - scenario van werkloosheid op 1 februari 2010, zou appellante vanaf die datum recht op uitkeringen op grond van de WW en de bovenwettelijke uitkering op grond van de CAO Nederlandse universiteiten hebben. In dat scenario zou artikel 13 van de VO aan appellante de keuze bieden om die uitkeringsaanspraken af te kopen tegen een bedrag ineens ter hoogte van 35% van de uitkeringsaanspraken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:13, geldigheid: 2012-08-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2349 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 maart 2011, 10/6844 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van bestuur van de Universiteit Leiden (college)

Datum uitspraak 2 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam drs.].

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was sinds 1 juli 2007 werkzaam als [naam functie] van de Faculteit rechtsgeleerdheid bij de universiteit van Leiden. Onderhandelingen over de beëindiging van haar aanstelling bij de Universiteit Leiden hebben op 13 maart 2009 geleid tot een vaststellingsovereenkomst (VO) tussen appellante en het college, waarin afspraken over die beëindiging zijn neergelegd.

1.2. Artikel 13 van de VO luidt: “Aan mevrouw [appellante] zal op haar verzoek, uiterlijk een maand voorafgaand aan 1 februari 2010, afkoop van de voor haar op de datum van het verzoek bestaande aanspraak op een ontslaguitkering plaatsvinden. De afkoopsom bedraagt 35% van de totale aanspraak op een ontslaguitkering en wordt door de universiteit, uiterlijk een maand na de datum van haar verzoek, toegekend in de vorm van een eenmalige bruto uitkering. Uitbetaling zal plaatsvinden op een wijze zoals door mevrouw [appellante] aan te geven, mits niet in strijd met de Nederlandse fiscale regelgeving en mits niet kostenverhogend voor de universiteit”.

1.3. Bij besluit van 15 januari 2010 heeft het college appellante op haar verzoek met ingang van 1 januari 2010 eervol ontslagen.

1.4. Op 23 december 2009 heeft appellante het college verzocht om uitvoering te geven aan haar verzoek van 10 november 2009 om toepassing van artikel 13 van de VO. Bij besluit van 19 januari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2010 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat appellante geen aanspraak kan maken op een ontslaguitkering, omdat zij aansluitend op de afloop van het dienstverband bij de Universiteit Leiden elders een betaalde baan heeft aanvaard. Uit de stukken die in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst zijn gewisseld, blijkt duidelijk dat het toekennen van een ontslagvergoeding voor het college onbespreekbaar was. In een eerdere versie van artikel 13 van de VO was een uitdrukkelijke koppeling gelegd tussen de vergoeding en een aanspraak op een ontslaguitkering. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college, door akkoord te gaan met een tekstuele wijziging ten opzichte van deze versie, akkoord is gegaan met een andere betekenis van dat artikel dan van afkoop van een aanspraak op uitkering ingeval van werkloosheid. Volgens het college kan artikel 13 van de VO in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat aan appellante, indien zij aanspraak zou kunnen maken op een ontslaguitkering, de keuze wordt gelaten deze uitkering in maandelijkse termijnen te ontvangen dan wel in een bedrag ineens ter hoogte van 35% van de aanspraak. De termijn van een maand voor het doen van het verzoek is uitsluitend gesteld om de voor het doen van een uitkering ineens vereiste administratieve handelingen tijdig te verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad, eerst overwogen dat het bij de uitleg van een VO als hier aan de orde, in het bijzonder wanneer niet gezegd kan worden dat de tekst van een bepaling daarvan in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, niet uitsluitend aankomt op de bewoordingen van hetgeen in de VO is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens de rechtbank dient artikel 13 van de VO te worden gelezen met inachtneming van hetgeen in de overige artikelen is bepaald. De artikelen 8, 9 en 10 van de VO zien op de situatie dat appellante vóór 1 februari 2010 een baan elders heeft aanvaard. Nu appellante per 1 januari 2010 een baan heeft aanvaard, zijn deze artikelen van toepassing, zodat zij vanaf 1 januari 2010 tot 1 februari 2010 recht had op een uitkering ineens van haar bruto maandsalaris, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering, en op uitbetaling van het restant aan verlofuren dat op 1 april 2009 niet was opgenomen. Aan artikel 13 van de VO kan appellante geen recht op afkoopsom ontlenen, omdat dat artikel enkel van toepassing zou zijn geweest indien op de daar genoemde ontslagdatum, te weten 1 februari 2010, recht op een ontslaguitkering zou hebben bestaan, Nu appellante per 1 januari 2010 een baan elders heeft aanvaard is geen recht op een ontslaguitkering ontstaan. Hierbij neemt de rechtbank mede in overweging dat het college in een e-mail van 4 februari 2009 duidelijk heeft aangegeven dat, indien appellante vóór 1 februari 2010 een baan elders heeft, hij haar geen aanspraak op een ontslaguitkering of een daaraan gerelateerd bedrag heeft willen geven.

3.1. In hoger beroep heeft appellante vooropgesteld dat ter zitting van de rechtbank een lid van de interne bezwarencommissie is opgetreden als vertegenwoordiger van het college, waardoor die commissie de gepretendeerde en vereiste onafhankelijkheid heeft verloren. Verder heeft appellante ter ondersteuning van de door haar voorgestane uitleg van artikel 13 van de VO een aantal argumenten naar voren gebracht. Zo biedt de tekst van artikel 13 van de VO volgens appellante geen enkel handvat voor de stelling dat haar positie op 1 februari 2010 van belang kan zijn voor de toepassing van dat artikel. Dat op die datum of op de datum van het verzoek sprake moet zijn van werkloosheid is niet vereist. De uitleg die het college geeft aan artikel 13 van de VO maakt dat artikel tot een dode letter, omdat dat zou betekenen dat appellante nooit een beroep kan doen op de afkoopregeling, omdat ten tijde van het verzoek om afkoop geen sprake kan zijn van werkloosheid. Het vereiste om geen uitzicht te hebben op een andere betrekking is bewust uit de eerdere versie van artikel 13 van de VO geschrapt. Appellante stelt zich te hebben gehouden aan de voorwaarden genoemd in artikel 13 en meent dat het college achteraf geen extra voorwaarden kan of mag stellen, zodat zij recht heeft op de afkoopsom. Tot slot verzoekt appellante om vergoeding van de door geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de afkoopsom.

3.2. Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.

4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en in grote lijnen ook de overwegingen die daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag zijn gelegd. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe.

4.1. De Raad volgt appellante niet in haar opvatting dat de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften niet onafhankelijk is. De samenstelling van deze commissie voldoet aan het in artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervatte voorschrift dat de voorzitter van de ten behoeve van de beslissing op bezwaar ingestelde adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Voor de leden van de adviescommissie geldt dit vereiste niet. Dat een lid van de commissie het college vertegenwoordigt in de (hoger) beroepsprocedure is daarom niet in strijd met deze bepaling.

4.2. Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat artikel 13 van de VO niet de voorwaarde stelt dat zij werkloos is en aanspraak maakt op een ontslaguitkering. Aan appellante kan worden toegegeven dat de voorwaarde van werkloosheid in de uiteindelijke tekst van artikel 13 van de VO niet meer is opgenomen. Dat is echter niet doorslaggevend. In de eerste plaats stelt de Werkloosheidswet (WW) als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op uitkering dat de werknemer werkloos is. Aangezien appellante aansluitend aan haar aanstelling bij de Universiteit Leiden elders een (volledig) dienstverband heeft, is evident geen sprake van arbeidsurenverlies en dus ook niet van werkloosheid. De opvatting van appellante over het opbouwen van een aanspraak dan wel een recht op een WW-uitkering vindt geen steun in de WW. Nu appellante geen recht op een ontslaguitkering heeft, behoort afkoop van die uitkering evenmin tot de mogelijkheden. Verder kan uit de stukken die in de aanloop naar de VO zijn geproduceerd en uit de overige bepalingen van de VO worden afgeleid af dat het de bedoeling van partijen was om het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden van appellante tot 1 februari 2010 te garanderen voor het geval zij voor of per die datum een baan zou hebben aanvaard. Dat geval doet zich hier voor. Uitsluitend in het - niet opgetreden - scenario van werkloosheid op 1 februari 2010, zou appellante vanaf die datum recht op uitkeringen op grond van de WW en de bovenwettelijke uitkering op grond van de CAO Nederlandse universiteiten hebben. In dat scenario zou artikel 13 van de VO aan appellante de keuze bieden om die uitkeringsaanspraken af te kopen tegen een bedrag ineens ter hoogte van 35% van de uitkeringsaanspraken.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Nu het hoger beroep niet slaagt, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte en dient het verzoek daartoe van appellante te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.C. Nijholt

HD