Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
10-1710 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:284, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verzekerd ingevolge de AOW. Deze uitsluiting van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen is gebaseerd op artikel 14 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. In dit artikel is bepaald dat de inwonende gezinsleden van personeelsleden van een volkenrechtelijke organisatie niet verzekerd zijn krachtens de volksverzekeringen indien dit in de zetelovereenkomst met die organisatie is bepaald. De Raad heeft vooropgesteld dat het hier in wezen gaat om de toetsing van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties aan de internationale discriminatieverboden. De Raad oordeelt dat, in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad, de Zetelovereenkomst kan worden getoetst aan andere internationale overeenkomsten. De besluitwetgever heeft in redelijkheid tot de aangevochten regeling kunnen komen en de toepassing van de regeling door de Svb jegens betrokkene is niet van redelijke grond ontbloot. Gelet hierop is van strijd met het discriminatieverbod geen sprake. Ten aanzien van het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM oordeelt de Raad dat in het midden kan worden gelaten of in een geval als het onderhavige sprake is van een aantasting van het genot van de eigendom. Voor zover daarvan sprake is slaagt het beroep op deze bepaling niet. Naar het oordeel van de Raad kan worden aangenomen dat betrokkene voor haar verlies afdoende is gecompenseerd. Van een buitensporige last voor betrokkene is derhalve geen sprake.

Wetsverwijzingen
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 14, geldigheid: 2012-08-13
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26, geldigheid: 2012-08-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/268
JB 2012/232
RSV 2012/245
NJB 2012/1786

Uitspraak

10/1710 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s- Gravenhage van 17 februari 2010, 09/3376 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 13 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 februari 2012 is namens betrokkene een vraag van de Raad beantwoord, waarop door appellant is gereageerd. Hierop is namens betrokkene gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, advocaat. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.B. Beelaard.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is geboren [in] 1984. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit. Bij het bereiken van de vijftienjarige leeftijd [in] 1999 maakte zij deel uit van het gezin van haar moeder, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft. Deze is vanaf 25 oktober 1999 tot 6 oktober 2002 werkzaam geweest bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR). Vanaf 7 oktober 2002 werkt zij als lid van de administratieve en technische staf bij het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY). Vanaf 3 juli 2007 is betrokkene geen inwonend gezinslid meer van haar moeder.

1.2. Bij formulier gedagtekend 18 augustus 2008 heeft betrokkene een overzicht van haar verzekeringstijdvakken ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Zij heeft daarbij opgegeven dat haar moeder werkzaam is bij het ICTY alsmede de tijdvakken die zij zelf in Nederland in loondienst heeft gewerkt.

1.3. Bij besluit van 6 november 2006 heeft appellant aan betrokkene een pensioenoverzicht verstrekt. Als niet verzekerde tijdvakken zijn aangemerkt: 25 oktober 1999 tot en met 31 augustus 2003, 8 september 2003 tot en met 4 juli 2004, 2 augustus 2004 tot en met 30 september 2005 en 1 november 2005 tot en met 2 juli 2007.

2. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is bij besluit van 10 april 2009 ongegrond verklaard. Artikel 14, derde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen (Besluit), in samenhang met de hier toepasselijke Zetelovereenkomsten, brengt volgens appellant mee dat betrokkene, als inwonend gezinslid van een persoon in dienst van een internationale organisatie, niet als verzekerde voor de volksverzekeringen kan worden aangemerkt.

3.1. De rechtbank heeft op het beroep van betrokkene als volgt overwogen (waarbij voor eiseres moet worden gelezen betrokkene en voor verweerder appellant).

"Op grond van artikel 6 van de AOW, voor zover hier van belang, is verzekerd de ingezetene van Nederland, alsmede degene die geen ingezetene is maar die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a van het op basis van artikel 6, derde lid, AOW berustende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (verder: het Besluit) is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking.

Het derde lid van deze bepaling schrijft voor dat de in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden niet verzekerd zijn op grond van de volksverzekeringen indien de zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de volkenrechtelijke organisatie zulks bepaalt, tenzij zij in Nederland arbeid verrichten dan wel een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.

Artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties (VN) luidt als volgt:

1) Officials of the Tribunal are subject to the United Nations Staff Regulations and Rules and, if they have an appointment of six months' duration or more, become participants in the United Nations Pension Fund. Accordingly, such officials shall be exempt from all compulsory contributions to the Netherlands social security organizations. Consequently, they shall not be covered against the risks described in the Netherlands social security regulations.

2) The provisions of paragraph 1 above shall apply mutatis mutandis to the members of the family forming part of the household of the persons referred to in paragraph one above, unless they are employed or self-employed in the host country or receive Netherlands social security benefits.

Het ICTR bevat een gelijkluidende bepaling. Kortheidshalve zal in het navolgende steeds alleen artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY worden vermeld.

Het staat vast - en is ook niet in geschil - dat het ICTR en ICTY (onderdelen van) volkenrechtelijke organisaties zijn die door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangewezen op de voet van artikel 14 van het Besluit.

Evenzeer staat vast dat eiseres gedurende de in het bestreden besluit genoemde perioden waarin zij volgens verweerder niet verzekerd was ingevolge de AOW, deel uitmaakte van het gezin van haar in Nederland wonende moeder en niet hier te lande arbeid verrichtte noch een uitkering op grond van de Nederlandse sociale verzekeringswetten ontving.

Eiseres heeft in beroep - kort en in de kern weergegeven - de volgende gronden aangevoerd.

1) In de zetelovereenkomsten is niet opgenomen dat kinderen niet zijn verzekerd op grond van de volksverzekeringen en evenmin is een vergelijkbare verzekering voor hen geregeld in het pensioenfonds van de VN.

2) De zetelovereenkomsten inzake het ICTR en het ICTY hebben geen kracht van wet nu deze verdragen noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend parlementair zijn goedgekeurd hetgeen is vereist op grond van artikel 91, eerste lid, van de Grondwet. Zij zijn niet voorgelegd aan de Staten Generaal en vallen niet onder de uitzondering van artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.

3) Indien de zetelovereenkomsten wél van kracht zijn en eiseres op basis daarvan wel in de zin van het Besluit is uitgesloten van de AOW zijn deze zetelovereenkomsten in strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internatonaal (sic) Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Immers wordt in deze verdragen een ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen Nederlandse ingezetenen die wel en Nederlandse ingezetenen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot een werknemer van het Joegoslavië-tribunaal.

4) Toepassing van artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY vormt een inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM (verder: het Protocol).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zetelovereenkomsten geen parlementaire goedkeuring behoeven en verwijst daartoe naar het standpunt van de regering in deze zoals dat is neergelegd in artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 "houdende goedkeuring van de toetreding tot het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 februari 1946 aangenomen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties" (verder: Verdrag nopens voorrechten en immuniteiten).

Voorts heeft verweerder betoogd dat artikel XXVII van het zetelverdrag dwingend bepaalt dat inwonende gezinsleden van medewerkers van het Tribunaal van premiebetaling en verzekering voor het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel zijn uitgesloten.

Verweerder is van oordeel dat de zetelovereenkomsten beogen om een dubbele verzekering en premieheffing te voorkomen en bepalen dat de medewerker van het Tribunaal deelnemer is aan het VN-pensioenfonds en dat dit mutatis mutandis ook geldt voor het inwonende gezinslid. Er zou mitsdien sprake zijn van dubbele dekking wanneer eiseres ook verzekerd zou zijn ingevolge het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. Voor zover al sprake zou zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen bestaat daarvoor volgens verweerder derhalve een rechtvaardigingsgrond."

3.2. De rechtbank heeft vervolgens de hiervoor, bij de opsomming van de gronden, onder 1 en 2 genoemde gronden verworpen. De hiervoor onder 3 genoemde grond met betrekking tot de door betrokkene geponeerde ongelijke behandeling, heeft de rechtbank gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank levert de toepassing van artikel 14, derde lid, van het Besluit, in het concrete geval van hier te lande wonende kinderen van de betreffende VN-werknemers een ongerechtvaardigd onderscheid op met kinderen die geen ouder hebben die werkzaam is bij een volkenrechtelijke organisatie en is die toepassing derhalve in strijd met artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 26 van het IVBPR. In dat kader merkt de rechtbank op ervan uit te gaan dat het op de pensioengerechtigde leeftijd te effectueren (publiekrechtelijke) AOW-vorderingsrecht moet worden aangemerkt als een - gefaseerd opgebouwd - vermogensrecht dat valt onder artikel 1 van het Eerste Protocol. De hiervoor bij de opsomming van de gronden onder 4 genoemde grond heeft de rechtbank onbesproken gelaten.

4.1. In hoger beroep heeft appellant voorop gesteld dat, nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld, het alleen gaat om de vraag of er strijd is met het discriminatieverbod. In dat kader heeft appellant primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van vergelijkbare gevallen. De rechtbank is voorts bij haar toetsing aan artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR voorbij gegaan aan de betekenis van de zetelovereenkomsten die Nederland heeft gesloten met de Verenigde Naties (VN). Die overeenkomsten brengen mee dat personen als betrokkene in een andere positie verkeren dan kinderen van ouders die niet werkzaam zijn bij zo’n internationale organisatie. Subsidiair wordt betoogd dat het verschil in behandeling waar het hier om gaat juist ook door het bestaan van de zetelovereenkomsten objectief gerechtvaardigd is. Daarbij wordt opgemerkt dat de zaak raakt aan de soevereiniteit van de VN. In de zetelovereenkomsten heeft de VN er immers uitdrukkelijk voor gekozen ook haar soevereiniteit over de sociale zekerheidsrechten van gezinsleden van haar personeel te behouden. Appellant zou, als de rechtbank wordt gevolgd, inbreuk moeten maken op die soevereiniteit. Die consequentie is volkenrechtelijk onaanvaardbaar en is ook overigens niet in overeenstemming te brengen met artikel 94 van de Grondwet.

4.2. In verweer heeft betrokkene erop gewezen dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad naar voren komt dat ook bij verdragsconflicten er een belangenafweging dient plaats te vinden, zodat niets de rechtbank belette de onderhavige zetelovereenkomsten te toetsen aan het EVRM en het IVBPR. Betrokkene onderschrijft de conclusie waartoe die afweging de rechtbank heeft geleid. Volgens betrokkene is er geen enkel belang van de VN gediend met de uitsluiting van betrokkene van het recht op AOW-opbouw. Voorts heeft betrokkene de grond dat de beëindiging van de verzekering voor de AOW in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol, herhaald. Aan haar ingezetenschap ontleende betrokkene de gerechtvaardigde verwachting tot voortzetting van haar opbouw van AOW-rechten. Bij de ontneming van betrokkenes aanspraak op AOW heeft de VN geen enkel redelijk belang. Voor betrokkene daarentegen is het niet-opbouwen van AOW-rechten een onevenredig zware last in verhouding tot het (eventueel aanwezige) belang bij één van de verdragspartijen bij de uitsluiting van betrokkene van dit recht. Ter zitting is namens betrokkene nog betoogd dat zeer wel verdedigbaar is dat de zetelovereenkomsten er niet toe dwingen om bestaande rechten, waarvoor geen premie verschuldigd is, te onthouden aan gezinsleden van het personeel van een tribunaal.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voorop moet worden gesteld dat appellant in hoger beroep slechts gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gestelde ongelijke behandeling. Namens betrokkene is in het verweerschrift gereageerd op hetgeen namens appellant is aangevoerd in hoger beroep en is herhaald hetgeen in eerste aanleg was aangevoerd ten aanzien van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

5.2. De door de appellant voorgedragen grond dat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen, zodat aan een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel niet wordt toegekomen kan niet worden gevolgd. Betrokkene onderscheidt zich van andere inwonende minderjarige gezinsleden, die als ingezetenen wél verzekerd zijn, door de werkzaamheden van haar moeder. Dit is een onderscheid naar de status van de ouder (vgl. art. 2, eerste lid, Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind). Daaruit volgt dat ter toetsing staat of voor het gemaakte onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De door appellant opgevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte enkel artikel 14, derde lid, van het Besluit, heeft getoetst, en niet artikel XXVII van de respectieve zetelovereenkomsten, slaagt niet. In dat verband is van belang dat de rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 14, derde lid, van het Besluit, een loutere uitvoeringsbepaling vormt van artikel XXVII. De uitgevoerde toetsing betreft derhalve de facto (ook) artikel XXVII van de Zetelovereenkomst betreffende het ICTY. Met betrokkene kan worden geoordeeld dat, in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad, de zetelovereenkomst kan worden getoetst aan andere internationale instrumenten. Ten aanzien van de in de afweging te betrekken belangen is door appellant benadrukt dat het door deze bepaling beschermde belang zeer groot is, nu met deze bepaling met name is beoogd de autonomie van de VN te waarborgen. In het licht van taak en doelstellingen van de VN, en de hier aan de orde zijnde Tribunalen, zal dit belang niet licht voor een ander belang mogen wijken. Gewezen is ook op het belang van de betrouwbaarheid van Nederland als gastland voor internationale organisaties. Door appellant is verder, onweersproken, gesteld dat het belang van betrokkene had kunnen worden verzekerd via het afsluiten van een vrijwillige verzekering voor de AOW. De kosten hiervan zouden volgens appellant beperkt zijn geweest in het licht van het feit dat betrokkene geen eigen inkomsten genoot. In de afweging dient verder gewicht toe te komen aan de voordelen die het zijn van werknemer bij een VN-organisatie meebrengt. Het voorgaande is een voldoende grondslag voor het oordeel dat de besluitwetgever in redelijkheid tot de aangevochten regeling heeft kunnen komen en dat de toepassing van de regeling door appellant jegens betrokkene niet van redelijke grond is ontbloot (vgl. HR 8 juli 2011, LJN BR0387). Gelet hierop is van strijd met het discriminatieverbod geen sprake. Dat betekent dat het hoger beroep van appellant in zoverre slaagt.

5.3. Nu het hoger beroep van appellant slaagt moet alsnog de bij de rechtbank onbesproken gebleven beroepsgrond van betrokkene met betrekking tot artikel 1 van het Eerste Protocol besproken worden.

5.4. Door betrokkene is betoogd dat de uitsluiting van de verzekering in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. In het midden kan worden gelaten of in een geval als het onderhavige er sprake is van een aantasting van het genot van de eigendom, zodat een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol mogelijk is. Ook indien hiervan wel sprake is, slaagt het beroep niet. Niet in geschil is dat de uitsluiting van de verzekering steunt op een wettelijke grondslag en dat de uitsluiting een legitiem doel dient. In geschil is of de uitsluiting proportioneel is in die zin dat met die uitsluiting op betrokkene niet een individuele en disproportionele last wordt gelegd. In dat verband is van belang dat betrokkene geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de gang van zaken die tot de korting op haar (toekomstige) pensioen heeft geleid. Daar staat tegenover dat het directe belang van betrokkene in de verre toekomst ligt, zodat het voor haar dan wel haar moeder mogelijk moet zijn dan wel moet zijn geweest daarvoor anderszins een voorziening te treffen. Dit temeer nu de moeder van betrokkene aan de zetelovereenkomsten een groot aantal voordelen, met name ook financiële voordelen, ontleent. Daar komt bij dat voor betrokkene de mogelijkheid openstond om zich vrijwillig te verzekeren voor de AOW voor een aan haar inkomen gerelateerde premie. Uit het voorgaande vloeit voort dat kan worden aangenomen dat betrokkene voor haar verlies afdoende is gecompenseerd. Van een buitensporige last voor betrokkene is derhalve geen sprake.

5.5. Geconcludeerd moet worden dat het hoger beroep slaagt en dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van R.J. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) R.J. Baas

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

CVG