Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
10-3302 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag aangezien de ex-echtgenoot op datum overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat destijds geen vrijwillige verzekering ANW tot stand is gekomen. Daaruit vloeit voort dat voorts postume deelname aan deze vrijwillige verzekering terecht is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/3302 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2010, 09/2985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats], Marokko (betrokkene)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van de Raad van 14 oktober 2011. Daarbij heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Namens betrokkene is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend na de zitting en appellant verzocht nadere informatie te verschaffen en een Nederlandse vertaling in te dienen van enkele stukken. Hierop heeft appellant bij brief van 5 december 2011 gereageerd. De Roy van Zuydewijn heeft vervolgens bij brief van 22 maart 2012 een reactie ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is gehuwd geweest met de heer [A.]. [A.] is geboren in 1926, heeft sinds 1991 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen en was na zijn pensionering in Marokko woonachtig. Aan het ouderdomspensioen ontleende hij tot 1 januari 2000 een verplichte verzekering in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2.1. Bij brief van 15 augustus 1999 heeft appellant AOW-gerechtigden, op wier pensioen premies werden ingehouden voor de volksverzekeringen, onder wie [A.], op de hoogte gesteld van de wetswijziging waarbij met ingang van 1 januari 2000 de verplichte verzekering voor de ANW zou eindigen. Door middel van retourzending van een bijgevoegd formulier “Aanvraag voor vrijwillige Anw-verzekering” konden gegadigden hun eventuele belangstelling voor deelname aan de vrijwillige verzekering op grond van de ANW aan appellant kenbaar maken. Onder “Aanmelding” is in de brief de volgende tekst opgenomen: “Met het bijgevoegde formulier kunt u ons laten weten dat u belangstelling hebt voor de vrijwillige Anw-verzekering. Na ontvangst van uw formulier sturen wij u nadere informatie over de voorwaarden en (niet onbelangrijk) over de kosten van deze Anw-verzekering. Overigens kunnen wij u op zijn vroegst rond de jaarwisseling meer informatie verstrekken. De reden hiervoor is dat de overheid de precieze voorwaarden voor de vrijwillige Anw-verzekering niet eerder dan het komende najaar bekend zal maken. Wij adviseren u het aanmeldingsformulier in ieder geval vóór 1 januari 2000 terug te sturen. In dat geval is uw overlijdensrisico vanaf 1 januari 2000 gedekt.”

[A.] heeft vervolgens op 10 november 1999 het betreffende formulier ingevuld en ondertekend. Appellant heeft de ontvangst van dit formulier bevestigd bij brief van 10 december 1999.

1.2.2. Vervolgens is bij brief van 7 juli 2000 aan [A.] het bericht gezonden dat hij aan de vrijwillige verzekering kon deelnemen en daarbij is tevens het bedrag vermeld van de door [A.] te betalen premie. In de brief is de volgende passage opgenomen “Bijgaand treft u een bereidverklaring aan, waarmee u kunt aangeven of u wel of niet aan de vrijwillige verzekering wilt deelnemen. Wij verzoeken u de bereidverklaring in te vullen en ondertekend aan ons terug te zenden, binnen zes weken na dagtekening van deze brief. Besluit u tot vrijwillige verzekering over te gaan, dan zullen wij u na terugontvangst van de bereidverklaring een beslissing en premie-nota zenden.” Bij de brief is voorts een informatie-pakket gevoegd met uitleg over de ANW-verzekering. In reactie hierop heeft [A.] op 1 augustus 2000 de betreffende verklaring ingevuld en aangekruist dat hij niet wenste deel te nemen. De Svb heeft de bereidverklaring op 21 augustus 2000 ontvangen.

1.3. Op 6 december 2000 is [A.] overleden, waarna betrokkene op 30 oktober 2001 een nabestaandenuitkering heeft aangevraagd. Bij besluit van 23 november 2001 heeft appellant de aanvraag afgewezen aangezien [A.] op 6 december 2000 niet verzekerd was voor de ANW. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Bij brief, ingekomen bij appellant op 11 juli 2006, heeft betrokkene appellant verzocht haar alsnog met terugwerkende kracht een nabestaandenuitkering toe te kennen. Appellant heeft vervolgens betrokkene bij brief van 2 augustus 2006 meegedeeld het besluit van 23 november 2001 te handhaven nu daartegen geen tijdig bezwaar is gemaakt en niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden.

1.5. Namens betrokkene is bij brief van 3 september 2007 geïnformeerd naar de gang van zaken destijds met betrekking tot de aanmelding voor de vrijwillige verzekering ANW en naar de mogelijkheid alsnog aan deze verzekering te kunnen deelnemen.

1.6. Bij besluit van 11 september 2008 heeft appellant de aanvraag van betrokkene tot postume deelname namens [A.] aan de vrijwillige verzekering ANW afgewezen aangezien niet was voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden. Appellant heeft voorts meegedeeld dat aan [A.] bij brief van 7 juli 2000 een offerte is gezonden, waarna het bericht is ontvangen dat hij niet wenste deel te nemen aan de genoemde vrijwillige verzekering.

1.7. In bezwaar is namens betrokkene primair aangevoerd dat in de in overweging 1.2.2 genoemde brief van appellant van 7 juli 2000 geen nadere eisen hadden mogen worden gesteld en dat er van uitgegaan moet worden dat de vrijwillige verzekering reeds tot stand gekomen was. Subsidiair is, met een beroep op het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb. 720 (KB 720), het verzoek tot postume deelname gehandhaafd.

1.8. Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat [A.] heeft verklaard geen deel te willen nemen aan de vrijwillige verzekering en heeft voorts gemotiveerd vastgesteld dat ook niet aan de voorwaarden van het KB 720 is voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [A.] zich tijdig bij appellant heeft gemeld voor deelneming aan de vrijwillige verzekering ANW en dat appellant hem daartoe ook bevoegd heeft verklaard. Het retourzenden van het daartoe betreffende formulier acht de rechtbank daarvoor in beginsel niet relevant of noodzakelijk, waarbij verwezen wordt naar uitspraken van de Raad van 9 juli 2004 (LJN AR1491) en van 7 juli 2006 (LJN AY4086). Naar het oordeel van de rechtbank kan niet in alle gevallen zonder meer worden uitgegaan van een schriftelijke verklaring waarmee (alsnog) door een belanghebbende is aangegeven niet te willen deelnemen. De rechtbank acht het in het licht van de door betrokkene omschreven omstandigheden niet aannemelijk dat [A.] met het aankruisen van de bewuste keuzemogelijkheid daadwerkelijk heeft bedoeld geen gebruik te willen maken van de vrijwillige verzekering ANW. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zich dan ook ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat destijds geen vrijwillige verzekering ANW tot stand is gekomen en is niet toegekomen aan de beoordeling van de weigering [A.] postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering ANW.

3. Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd betoogd dat, gezien de gegeven omstandigheden, niet kan worden aangenomen dat [A.] heeft bedoeld te willen deelnemen aan de vrijwillige verzekering ANW en acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor postume deelname van [A.] aan de vrijwillige verzekering ANW mogelijk is.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat destijds geen vrijwillige verzekering ANW tot stand is gekomen en daaruit voortvloeit dat voorts postume deelname aan deze vrijwillige verzekering terecht is geweigerd.

4.2. Ten aanzien van het standpunt van betrokkene dat met de toezending van de brief van appellant van 7 juli 2000 reeds een verzekering tot stand gekomen is stelt de Raad het volgende vast.

4.3. Uit alle feiten en omstandigheden, zoals hiervoor in 1.2.1 en 1.2.2 vastgesteld, bezien op zichzelf en in hun onderling verband, kon niet worden geconcludeerd dat de brief van 7 juli 2000 als een bevestiging van de reeds tot stand gekomen verzekering kan gelden. Dat [A.], gelet op de gestelde problemen met zijn gezondheid, niet heeft onderkend wat de betekenis zou zijn van hetgeen door hem was ingevuld, vormt een omstandigheid die voor zijn rekening en risico kwam. In dit verband kan er tevens op worden gewezen dat noch [A.] zelf noch betrokkene destijds hebben gereageerd op het uitblijven van premienota’s en voorts dat betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beslissing van 23 november 2001, waarbij de toekenning van een nabestaandenuitkering was afgewezen. Wat betreft de verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 juli 2004 (LJN AR1491) en van 7 juli 2006 (LJN AY4086) kan worden opgemerkt dat, anders dan in die zaken, in dit geval vooraf geen sprake is geweest van correspondentie tussen appellant en [A.] over inhouding van premies en [A.] ook niet andermaal te kennen heeft gegeven dat hij wél wenste deel te nemen.

4.4. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 juni 2009 (LJN BJ3847) oordeelt de Raad voorts dat de besluitwetgever bevoegd was, om zonder schending van enige rechtsregel, [A.], die de Marokkaanse nationaliteit heeft gehad, niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden om daar in de onderhavige, vergelijkbare zaak anders over te oordelen.

4.5. Uit de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. Haan

RK