Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
11-2332 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen recht op WIA-uitkering. Toiletbezoek. Protocol Aspecifieke Lage Rugklachten. De Raad acht het standpunt van het Uwv dat een urenbeperking niet aan de orde is onvoldoende gemotiveerd en ziet in de beschikbare gegevens geen aanleiding om de conclusies van de door appellant als deskundige geraadpleegde neuroloog in deze voor onjuist te achten. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2332 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2011, 09/1371 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 3 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 4 oktober 2006 in verband met knieklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als onderhoudsmedewerker. Op 18 oktober 2006 heeft hij een operatie in verband met een rughernia ondergaan waaraan hij incontinentieproblemen heeft overgehouden. De verzekeringsarts heeft op 9 september 2008 een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellant in staat werd geacht. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 1 oktober 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Steun hiervoor wordt gezien in een eerdere beoordeling door de verzekeringsarts in augustus 2008, waarbij een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week wel aangewezen werd geacht. Voorts heeft appellant aangevoerd, dat ook in het kader van de re-integratie is gebleken dat appellant niet meer dan 4 uur per dag en 20 uur per week in aangepast werk kan werken, hetgeen door de bedrijfsarts is onderschreven. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 23 februari 2009 de door de verzekeringsarts opgestelde FML had aangescherpt ten aanzien van de aspecten buigen, frequent buigen tijdens het werk, torderen en gebogen en/of getordeerd actief zijn, heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 11 maart 2009 één van de voorgehouden functies laten vervallen en vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 16 maart 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellant de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten en aangevoerd dat hij om medische redenen niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellant een rapport van de door hem ingeschakelde arbeidsdeskundige W. de Hoop van 22 oktober 2009 in geding gebracht, alsmede een rapport van een door hem als deskundige geraadpleegde neuroloog J.U.R. Niewold van 15 maart 2010. Deze neuroloog heeft zich op een aantal onderdelen niet kunnen verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde FML en heeft voorts een urenbeperking aangewezen geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 3 mei 2010 de eerder vastgestelde FML aangepast. Het standpunt dat geen urenbeperking aan de orde is heeft deze arts echter onverkort gehandhaafd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft als gevolg van de bijstelling van de FML één van de voorgehouden functies laten vervallen en vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van het dossier en alle door appellant ingebrachte (medische) stukken. In de (nieuwe) medische informatie die appellant in beroep heeft overgelegd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Voorts heeft de rechtbank de bezwaarverzekeringsarts gevolgd in diens standpunt dat de door appellant overgelegde WSW-indicatie geen aanleiding geeft om de FML verder aan te scherpen. Verder heeft de rechtbank de geschiktheid voor de voorgehouden functies onderschreven.

5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat de medische grondslag van het bestreden besluit in strijd is met artikel 4 van het Schattingsbesluit. Voorts is volgens appellant ten onrechte niet getoetst aan het protocol Aspecifieke Lage Rugklachten (ALR). Tevens is aangevoerd dat sprake is van meer frequent toiletbezoek dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Ter onderbouwing van dat standpunt is namens appellant overgelegd een verklaring van 8 december 2011 van de toenmalige HR manager van de (ex)werkgever, alsmede een neurologisch expertise die in het kader van een letselschadezaak was opgesteld. Tevens heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Ook heeft appellant de aan de WSW-indicatie ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten overgelegd. Het Uwv heeft op 6 juni 2011, 19 december 2011 en 1 maart 2012 op de stukken gereageerd.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Ten aanzien van het gestelde, dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4 van het Schattingsbesluit omdat het medisch oordeel onvoldoende toetsbaar, reproduceerbaar en consistent is, wordt overwogen dat appellant hierin niet gevolgd wordt. Vastgesteld wordt dat het bestreden besluit berust op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 23 februari 2009 en 3 mei 2010 en dat in die rapportages is aangegeven van welke gegevens is uitgegaan en waartoe weging van de gegevens heeft geleid. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat het medisch oordeel niet toetsbaar of reproduceerbaar zou zijn. Voorts is van inconsistentie van opvattingen niet gebleken.

6.3. Wat betreft het beroep van appellant op het protocol ALR wordt overwogen dat dit beroep niet slaagt, reeds omdat de rugklachten van appellant verband houden met een herniaproblematiek, zodat deze niet als a-specifiek aangemerkt kunnen worden.

6.4. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft appellant aangegeven dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn uitgegaan van een te lage frequentie van toiletbezoeken. Anders dan de 4 à 5 maal per dag waarvan het Uwv is uitgegaan, zou sprake zijn van een toiletbezoek van rond 20 keer per dag. Ter onderbouwing van dat standpunt is namens appellant de in overweging 5 vermelde verklaring in geding gebracht, waarin is gesproken over een toiletbezoek van 5 à 7 maal gedurende 4 uur per dag, alsmede een verklaring van neuroloog L.J. Kappelle van 11 oktober 2011, die melding heeft gemaakt van een toiletbezoek van gemiddeld 20 keer per dag. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan de door het Uwv aangenomen frequentie te twijfelen. Overwogen wordt dat appellant op 9 september 2008 tegenover de verzekeringsarts melding heeft gemaakt van een frequentie van vier maal daags katheteriseren en enkele malen per dag preventief toiletbezoek en deze frequentie ook jegens de bedrijfsarts werd genoemd. Voorts wordt overwogen dat appellant in de bezwaarprocedure niet tegen de door het Uwv aangenomen frequentie geageerd heeft. Dat in de verklaring van Kappelle over een grotere frequentie wordt gesproken maakt de beoordeling niet anders, nu Kappelle zich daarbij heeft gebaseerd op de anamnestische gegevens en Kappelle zich uitdrukkelijk uitspreekt over de huidige medische situatie, derhalve die rond oktober 2011. Ook de omstandigheid dat de HR manager 3 jaar na de datum in geding de stelling van appellant heeft bevestigd, betekent niet dat op grond daarvan aan de juistheid van de eerdere verklaringen zou moeten worden getwijfeld.

6.5. Inzake de stelling in hoger beroep dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen wordt overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de FML van 9 september 2008 zowel in bezwaar als in beroep heeft aangescherpt. Bij die laatste aanscherping op 3 mei 2010 heeft deze arts de door Niewold voorgestane wijzigingen gevolgd, met uitzondering van de door Niewold aangewezen geachte urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze afwijking van de inschatting van Niewold onderbouwd door aan te geven dat er geen aanleiding bestaat tot het aannemen van een urenbeperking indien rekening wordt gehouden met de overige door Niewold vastgestelde beperkingen. De Raad stelt vast dat het Uwv het rapport van Niewold kennelijk zodanig overtuigend vindt dat deze (partij)deskundige volledig door het Uwv is gevolgd, met uitzondering van diens visie op de urenbeperking. De Raad acht de door het Uwv gegeven toelichting om ten aanzien van dat onderdeel Niewold niet te volgen onvoldoende overtuigend en overweegt in dit verband dat Niewold met inachtneming van de bij appellant bestaande beperkingen een urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week wel aangewezen heeft geacht en dit heeft gemotiveerd met de overweging dat een urenbeperking aan de orde is vanwege conditiegebrek en krachtverlies, veroorzaakt door de slechte spierfunctie van appellant in verband met het caudasyndroom van appellant. Niewold heeft in dit verband gewezen op energetische beperkingen, beperkte beschikbaarheid en preventieve aspecten. De Raad acht het standpunt van het Uwv dat een urenbeperking niet aan de orde is onvoldoende gemotiveerd en ziet in de beschikbare gegevens geen aanleiding om de conclusies van Niewold in deze voor onjuist te achten. Het bestreden besluit, zoals dit thans luidt, zal derhalve in rechte geen stand kunnen houden.

6.6. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen een nader onderzoek in te stellen. Het Uwv dient te onderzoeken welke consequenties het aannemen van een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week voor de aanspraak van appellant op uitkering ingevolge de Wet WIA per 1 oktober 2008 heeft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 maart 2009 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) L. van Eijndthoven

RK