Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX3745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
10-6459 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering. Uitkeringsduur. Jareneis. De hoofdregel, neergelegd in artikel 42, eerste lid, van de WW gaat uit van het ontvangen van loon over 52 dagen per kalenderjaar. In die hoofdregel is geen beperking aangebracht naar het aantal gewerkte dagen per week. Hoewel het in de rede ligt om aan te sluiten bij wat gebruikelijk als een voltijdse werkweek wordt beschouwd, dient tevens acht te worden geslagen op de zeer algemeen geformuleerde grens van 52 dagen per kalenderjaar, de bedoeling van die grens en het daarmee samenhangende belang van de werknemer. Gelet daarop is een uitleg zoals door appellant gegeven niet in overeenstemming met die hoofdregel. Het gaat er immers om dat een betrokkene in de vijf voorafgaande jaren een zodanige band met de arbeidsmarkt heeft gehad dat een langere WW-uitkering dan drie maanden gerechtvaardigd is. Met een uitleg van artikel 3a, aanhef en onder c, van het Besluit gelijkstelling loondagen waarbij een gemiddelde wordt genomen van het totaal van het aantal gewerkte weken, wordt een dergelijke rechtvaardiging gevormd en wordt ook voldoende tegemoetgekomen aan de bedoeling van deze regeling. Uit het door appellant ingebrachte overzicht volgt dat betrokkene in 2004 58 dagen in diverse dienstverbanden heeft gewerkt over een periode van negentien weken. Daarmee is aangetoond dat betrokkene over het kalenderjaar 2004 meer dan 52 dagen loon heeft ontvangen en is de theoretische uitkeringsduur 38 maanden. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht vernietigd. Nu vaststaat wat de theoretische lengte van WW-uitkering is en partijen niet twisten over de hoogte van de uitkering, is er geen noodzaak om appellant de opdracht te geven om een nieuw besluit te nemen maar voorziet de Raad zelf in dat besluit. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/36

Uitspraak

10/6459 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 oktober 2010, 09/8243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 3 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.N.B. Moons een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Namens appellant is mr. P.J. van Ogtrop verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Moons.

De Raad heeft het onderzoek heropend en schriftelijk een aantal vragen aan appellant voorgelegd. Appellant heeft deze vragen beantwoord en betrokkene heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 22 juni 2012. Namens appellant zijn mr. Van Ogtrop en I. Eijkhout LLB verschenen. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was laatstelijk in dienst van [werkgever]. Dat dienstverband is geëindigd op 29 juni 2009. In verband daarmee heeft betrokkene een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij appellant ingediend. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft appellant betrokkene met ingang van 30 juni 2009 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. De lengte van de uitkering heeft appellant gesteld op drie maanden.

1.2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juli 2009. Bij besluit van 16 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft appellant dat bezwaar ongegrond verklaard en het eerdere standpunt gehandhaafd. Appellant heeft daartoe overwogen dat betrokkene in 2004 en 2005 geen 52 dagen heeft gewerkt zodat betrokkene niet voldoet aan de eis dat er in de vijf jaren voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag gedurende ten minste 52 dagen is gewerkt. In 2005 voldoet betrokkene niet aan de eis dat hij 52 dagen gewerkt heeft. In 2004 heeft betrokkene in de periode van 8 maart 2004 tot en met 25 april 2004 gedurende 42 dagen gewerkt en in de rest van het jaar nog 16 dagen, zodat er dus sprake zou zijn van 58 gewerkte dagen. De gewerkte periode betreft zeven weken. In die periode van zeven weken is volgens appellant echter sprake van maximaal vijf loondagen per week, zodat slechts (zeven maal vijf is) 35 loondagen in aanmerking kunnen worden genomen. Deze dagen opgeteld bij de 16 andere loondagen levert een totaal op aan 51 dagen. Aldus voldoet betrokkene niet aan de eis van 52 loondagen en kan ook het loonjaar 2004 niet meetellen voor de zogenoemde jareneis. Nu er ook in 2005 niet is voldaan aan de eis van 52 loondagen, bestaat er geen recht op verlenging van de uitkering. Appellant heeft daarbij ook nog overwogen dat, waar betrokkene had aangegeven dat hij ook op zaterdagen en zondagen werkte, uit de regelgeving voortvloeit dat het aantal dagen waarover de werknemer gemiddeld per week loon heeft genoten, geacht wordt niet meer dan vijf te bedragen, zodat zaterdagen en zondagen niet worden meegeteld.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant een onjuiste uitleg had gegeven aan artikel 3a, aanhef en onder c, van het Besluit gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Besluit gelijkstelling loondagen) door de door betrokkene per week gewerkte zaterdagen en zondagen niet mee te tellen voor de arbeidsverledeneis. Het woord ‘gemiddeld’ in de tekst van artikel 3a, aanhef en onder c, van het Besluit gelijkstelling loondagen impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat in voorkomende gevallen het aantal loondagen dient te worden beoordeeld over een langere gewerkte periode dan een week. De rechtbank achtte het daarbij niet onlogisch indien appellant voor de berekening van het gemiddeld aantal loondagen per week het gehele kalenderjaar 2004 als uitgangspunt had genomen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant onder meer het volgende betoogd.

“Op grond van het gestelde in artikel 3a, onderdeel c, van het krachtens artikel 42a, achtste lid, van de WW getroffen Besluit loondagen WW en WIA handhaaft appellant het standpunt dat voor de toepassing van de arbeidsverledeneis gemiddeld niet meer dan vijf loondagen per week kunnen worden geteld. In het jaar 2004 heeft gedaagde van 8 maart 2004 tot en met 25 april 2004 in Italië gewerkt en gedurende die periode van zeven weken over 42 dagen loon ontvangen. Gedaagde is daarbij niet werkzaam geweest in ploegendienst. Conform artikel 3a, onderdeel c, van het Besluit loondagen WW en WIA dient in dat geval het aantal loondagen afgetopt te worden op zeven maal vijf, is vijfendertig dagen. Het totaal aantal loondagen in 2004 komt hiermee op 51 dagen. Dit houdt in dat gedaagde niet voldoet aan de 4-uit-5-eis.”

3.2. Ter zitting van 14 december 2011 heeft appellant daaraan toegevoegd dat de woorden ‘gemiddeld per werkweek loon heeft genoten’ uit artikel 3a, aanhef en onder c, van het Besluit gelijkstelling loondagen zo uitgelegd moeten worden dat het daarbij gaat om een gemiddelde dat vastgesteld moet worden over elke periode waarin is gewerkt.

4. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven en wijst erop dat uit de aangevallen uitspraak volgt dat de tekst van het Besluit gelijkstelling loondagen impliceert dat in voorkomende gevallen het aantal loondagen dient te worden berekend over een langer gewerkte periode dan een week. Betrokkene heeft daarbij ook gewezen op de situatie van een artiest met zeven verschillende dagcontracten op zeven dagen in de week bij zeven verschillende opdrachtgevers. In dat geval kunnen volgens hem niet slechts vijf loondagen per week meetellen voor de arbeidsverledeneis.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1. Artikel 42 van de WW, voor zover hier van belang, luidt als volgt.

“1. De uitkeringsduur is drie maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.

2. Indien de werknemer:

a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon te hebben ontvangen; of

b. (…)

wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt, met dien verstande dat de totale uitkeringsduur maximaal 38 maanden bedraagt.”

5.1.2. Ingevolge artikel 42a, achtste lid, aanhef en onder a, van de WW kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter vaststelling van het aantal dagen waarover loon is ontvangen, bedoeld in artikel 42.

5.1.3. Deze regels zijn gesteld bij het Besluit gelijkstelling loondagen. Ingevolge artikel 3a, aanhef en onder c, van dat besluit wordt voor de toepassing van artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van de WW het aantal dagen waarover de werknemer gemiddeld per werkweek loon heeft genoten, geacht niet meer dan vijf te bedragen.

5.2. De hoofdregel, neergelegd in artikel 42, eerste lid, van de WW gaat uit van het ontvangen van loon over 52 dagen per kalenderjaar. In die hoofdregel is geen beperking aangebracht naar het aantal gewerkte dagen per week. Hoewel het in de rede ligt om aan te sluiten bij wat gebruikelijk als een voltijdse werkweek wordt beschouwd, dient tevens acht te worden geslagen op de zeer algemeen geformuleerde grens van 52 dagen per kalenderjaar, de bedoeling van die grens en het daarmee samenhangende belang van de werknemer. Gelet daarop is een uitleg zoals door appellant gegeven en waarbij wordt aangesloten bij weken van de betreffende dienstbetrekking, niet in overeenstemming met die hoofdregel. Het gaat er immers om dat een betrokkene in de vijf voorafgaande jaren een zodanige band met de arbeidsmarkt heeft gehad dat een langere WW-uitkering dan drie maanden gerechtvaardigd is. Een excessief arbeidspatroon in een zeer korte periode zou die rechtvaardiging niet kunnen vormen. Met een uitleg van artikel 3a, aanhef en onder c, van het Besluit gelijkstelling loondagen waarbij een gemiddelde wordt genomen van het totaal van het aantal gewerkte weken, wordt een dergelijke rechtvaardiging wel gevormd en wordt ook voldoende tegemoetgekomen aan de bedoeling van deze regeling.

5.3. Naar aanleiding van een vraagstelling door de Raad heeft appellant bij brief van

20 maart 2012 een overzicht ingebracht van het aantal door betrokkene in 2004 gewerkte weken en de daarin gewerkte dagen. Uit dat overzicht volgt dat betrokkene 58 dagen in diverse dienstverbanden heeft gewerkt over een periode van negentien weken. Gelet op de onder 5.2 gegeven uitleg van het Besluit gelijkstelling loondagen is daarmee aangetoond dat betrokkene over het kalenderjaar 2004 meer dan 52 dagen loon heeft ontvangen. Zoals appellant voorts in de brief van 20 maart 2012 heeft weergegeven, is daarmee de theoretische uitkeringsduur 38 maanden.

5.4. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom terecht vernietigd, zij het op niet geheel juiste gronden. Nu voorts vaststaat wat de theoretische lengte van WW-uitkering is en partijen niet twisten over de hoogte van de uitkering, is er geen noodzaak om appellant de opdracht te geven om een nieuw besluit te nemen maar kan de Raad zelf in dat besluit voorzien. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

6. Er is aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 874,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij appellant is opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;

-stelt de in aanmerking te nemen maximale duur van de WW-uitkering van betrokkene vast op 38 maanden, te rekenen vanaf 30 juni 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 oktober 2009;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

RK